De avond valt en de Canadese mevrouw Johnson is op zoek naar de snelweg als zij met een vaartje van vijftig kilometer per uur een kruising nadert. Hier staat een duidelijk zichtbaar stopbord en ook de stopstreep is helder wit, maar desondanks rijdt ze zonder vaart te minderen de voorrangsweg op. Het busje dat van links komt kan haar niet meer ontwijken en knalt bovenop haar auto. Beide automobilisten moeten naar het ziekenhuis.

Jan Theeuwes, hoogleraar functieleer aan de Vrije Universiteit, schetst in zijn werkkamer het beeld dat uit het politieonderzoek naar voren komt. Mevrouw Johnson rijdt al twintig jaar auto en heeft nooit brokken gemaakt. Ze is het tegenovergestelde van een wegpiraat en een radio of mobiele telefoon in de auto zijn bij haar taboe, omdat ze al haar aandacht bij de weg wil houden. Toch laat ze bij het verhoor weten dat ze het stopbord niet heeft gezien en dat het busje in haar beleving plotseling uit het niets te voorschijn kwam. De remsporen bevestigen dat ze nauwelijks heeft geremd. De politie denkt dat ze onder invloed van alcohol of medicijnen moet zijn geweest, maar het bloedonderzoek sluit ook deze mogelijkheid uit. De oorzaak blijft onduidelijk en mevrouw Johnson krijgt een boete, omdat ze het stopbord heeft genegeerd.

Maar hiermee is de kous niet af. Mevrouw Johnson is namelijk niet alleen voorzichtig, maar ook eigenwijs. Zij kan zich niet voorstellen dat zij zelf schuld draagt aan het ongeval en schakelt een collega van Theeuwes in. Deze bezoekt de plaats van het ongeluk en constateert dat de weg kort voor het kruispunt een bocht maakt. Bestuurders richten hun ogen dan op de witte streep aan de binnenkant van de bocht. Toen mevrouw Johnson de bocht uit was keek zij weer op en zag naast het stopbord een opvallend en ingewikkeld bewegwijzeringsbord. De pijlen daarop waren zo onsamenhangend dat zij tijd nodig had om hieruit wijs te worden. Aandacht om het stopbord op te merken heeft ze niet meer, met alle gevolgen van dien. De rechter beslist dat mevrouw Jonhson geen boete hoeft te betalen. Ze krijgt zelfs een som geld mee, omdat de overheid nalatig is geweest bij het inrichten van de weg. Het kruispunt is inmiddels met behulp van een psycholoog veranderd.

Onwillekeurige oogbewegingen

Het voorbeeld van mevrouw Johnson is voor Theeuwes niet alleen van belang omdat de rechter zich op zijn onderzoek baseerde, maar ook omdat het laat zien dat basaal wetenschappelijk onderzoek praktisch zeer relevant kan zijn. Theeuwes liet proefpersonen naar een beeldscherm kijken met een reeks irrelevante grijze cirkels. Tussen de cirkels was een grijs vierkant geplaatst en zodra de proefpersonen dit ontdekt hadden, moesten zij op een knop drukken. De proefpersonen reageerden erg snel bij deze eenvoudige taak, maar waren al iets langzamer als ook een rode cirkel op het scherm aanwezig was. De meeste proefpersonen zeiden dan dat ze de rode cirkel niet eens bewust hadden opgemerkt, maar toch waren ze er even door afgeleid.

Theeuwes legt uit dat ook onderzoek naar oogbewegingen aantoont dat mensen geen volledige controle hebben over hun aandacht. Proefpersonen die de opdracht krijgen te kijken naar vierkanten die op het scherm verschijnen en cirkels moeten negeren, zullen toch even een blik werpen op de cirkel die op het scherm verschijnt. De aandacht kan dus kortdurend worden aangetrokken door een opvallende visuele prikkel. Mevrouw Johnson had echter zo’n acht seconden de tijd voordat zij het kruispunt bereikte en bovendien waren andere bestuurders wel in staat om te stoppen voor het kruispunt. Ook dit is te verklaren. De aandacht wordt namelijk niet alleen door gebeurtenissen in de omgeving gestuurd, maar ook door de plannen van de bestuurder. Mevrouw Johnson wist de weg niet en bleef dus met haar aandacht bij het bord hangen, totdat zij het had ontcijferd.

Theeuwes pakt een foto van een vergelijkbare situatie in Nederland. Een straat in een stadscentrum is afgesloten voor alle verkeer, maar tegelijkertijd is er wel een ontheffing voor vergunninghouders. Voor hen is er een stoplicht geplaatst en dankzij een speciale chip waarmee hun auto is uitgerust, zakt een zuil in de grond, springt het licht op groen en kunnen ze doorrijden. Theeuwes: ‘Zeker in de schemering valt het stoplicht veel meer op dan het verkeersbord. De automobilist die achter de vergunninghouder rijdt denkt dus dat het groene licht ook voor hem is bedoeld. Helaas eindigt de rit dan op de paal die weer uit de grond omhoogkomt. Dit gebeurde zo vaak dat de verkeerssituatie inmiddels is aangepast.’

De weginrichting kan bestuurders in de val lokken, maar kan ook helpen ongelukken te vermijden. Theeuwes: ‘De kunst is de wegen zo aan te leggen dat de juiste verwachtingen bij de bestuurder worden opgeroepen. Men spreekt van self-explaining roads. Het punt is dat autorijden te snel gaat om alles uit de omgeving zorgvuldig in je op te nemen en daardoor baseert de bestuurder veel beslissingen op verwachtingen.’

Een eenvoudig voorbeeld is dat een vierbaansweg van glad asfalt de indruk wekt dat het om een snelweg gaat. ‘Als automobilist krijg je dan vanzelf het idee dat je flink kunt doorrijden en dan volstaat een verbodsbord voor vijftig kilometer per uur niet om de verkeersstroom voldoende af te remmen. Breda had bijvoorbeeld een prachtige rondweg met een mooie verkeersstroomgeleiding, tot er een buitenring bij kwam. Op de binnenring heeft men toen de kwaliteit van de weg moeten verslechteren om de situatie veiliger te maken. Verkeersingenieurs vinden dat vaak moeilijk, maar op een te mooie weg rijdt men te hard.’

De wegen waar je maximaal tachtig kilometer per uur mag rijden, zijn het minst self-explaining. Daar gebeuren relatief veel ongelukken. ‘Deze wegen zijn niet bewust ontworpen, maar aangelegd voor paard en wagen en daarna uitgegroeid. Dergelijke wegen zijn overal in Europa een probleem.’

Trucs voor veilige wegen

Het niet vanzelfsprekende karakter van de weg komt aan het licht als je verkeersdeelnemers een reeks foto’s van wegen geeft en vraagt die te categoriseren. ‘Je ziet dan dat alle snelwegen op hetzelfde stapeltje komen en de bosweggetjes ook. De tachtig kilometer per uur wegen komen echter op verschillende stapels terecht. Dit leidt tot de verkeerde verwachtingen. Wie ten onrechte denkt dat hij op een snelweg zit, zal er geen rekening mee houden dat er een gelijkvloerse kruising aan kan komen.’

Theeuwes haalt opnieuw enkele foto’s te voorschijn. Op een foto is een mooie geasfalteerde tweebaansweg zichtbaar, met aan de linkerkant lantaarnpalen die bovenaan uitlopen op een T, zodat de lampen naar twee kanten schijnen. Het lijkt vanzelfsprekend dat er aan de andere kant nog een weg ligt voor het tegemoetkomende verkeer, maar dat blijkt niet juist te zijn. Wie wil inhalen moet dus wel degelijk rekening houden met mogelijke tegenliggers.

Een volgend voorbeeld komt van een brede tweebaansweg op het platteland. Theeuwes: ‘Nee, het is geen autoweg. Hier kunnen van de andere kant fietsers komen. In Drenthe heeft men bij een aantal van dit soort wegen de witte strepen aan de zijkant weggehaald, zodat de weg geen verkeerde verwachtingen wekt. Het nadeel dat de rand van de weg nu slechter zichtbaar is, heeft men ondervangen door aan de zijkanten oneffenheden aan de brengen die de auto laten trillen zodra de banden te dicht bij de rand komen.’ Voor het maken van duurzaam veilige wegen, moet je trucs bedenken om de goede beleving van de weg op te roepen. n[/wpgpremiumcontent]