Integriteit

‘Eerlijk tegen jezelf zijn, dat vind ik een van de allerbelangrijkste dingen in het leven. Je moet jezelf niet verloochenen. Ik kan slecht tegen nep. Nogal wat dingen zijn nep en huichelachtig. Mensen zetten zichzelf aan de kant om maar bij een groep te kunnen horen. Toen ik industriële vormgeving studeerde in Delft, had je van die mensen die de designkant op gingen, dat waren zúlke aanstellers. Die hingen dan enorm de designer uit, in álles: hun kleding, hun maniertjes… Gruwelijk vond ik dat. Het ergste was dat ze zichzelf totaal serieus namen. Later heb ik in de reclamewereld gewerkt en daar was het precies zo: die jongens moesten met cowboylaarzen op hun bureau zitten, anders klopte het niet. Het was een en al praatjesmakerij, zo’n wereld waar je met een grote mond een heel eind komt.

Die afkeer van onechtheid en de drang mijn eigen weg te volgen heb ik al van jongs af aan. Als jongetje zwierf ik urenlang door de bossen op het landgoed van mijn grootvader. Dat gevoel van vrijheid, en het idee dat ik daar op onze eigen grond liep en dat niemand iets over mij te zeggen had, heeft me zelfbewust en zelfverzekerd gemaakt: ik bepaal wie ik ben en ik hoef me aan niemand aan te passen.’

Loyaliteit

‘Ik vind het erg belangrijk dat ik op mensen kan vertrouwen, dat je elkaar te allen tijde recht in de ogen kunt blijven kijken. Oké, op de korte termijn kan ik misschien ontrouw zijn: ik vergeet weleens een afspraak, en iemand terugbellen schiet er ook wel eens bij in. Maar op de lange termijn ben ik heel trouw. Ik verwaarloos vrienden soms een tijd, maar ze blíjven voor mij altijd mijn vrienden, en na twee jaar stuur ik ze dan weer een aardige brief.

Ik denk dat ik van nature erg wantrouwig ben. Liever gezegd: ik ben voorzíchtig, in de zin dat ik me niet makkelijk in de kaart laat kijken. Daardoor leg ik niet snel contact met anderen. Misschien is loyaliteit dáárom juist wel zo waardevol voor me: ik heb veel tijd nodig om een band met de ander te laten groeien.

Richting mijn familie ben ik trouwens niet altijd loyaal geweest. Van mijn puberjaren tot een tijd daarna heb ik me afgezet tegen mijn milieu. Ik kom uit een industriëlenfamilie waar goede omgangsvormen en sterke sociaal-liberale waarden de boventoon voerden. In de crisisjaren van de vorige eeuw betaalde mijn familie van moederskant de arbeiders gewoon door, ook al waren er geen inkomsten en raakte het hele eigen vermogen op. Toen ik opgroeide, waren ze dus al lang niet meer vermogend, maar des te trotser omdat ze het goede met hun geld hadden gedaan. Lange tijd had ik daar echter geen oog voor. Ik had een hekel aan de uiterlijkheden waar in mijn familie naar mijn idee te veel waarde aan werd gehecht.

Het irriteerde mij bijvoorbeeld mateloos dat je je netjes moest aankleden en een das moest dragen. Ook vond ik dat ze altijd zó vasthielden aan vroeger, dat er geen vooruitgang was, geen ontwikkeling. Als kind was mijn toekomst al uitgestippeld. Van mij werd verwacht dat ik ingenieur zou worden, net als de familieleden die mij waren voorgegaan. Benauwend vond ik dat. Aanvankelijk ging ik inderdaad studeren en werd ik lid van het corps in Delft, maar ik stapte na twee jaar uit het corps en drie tentamens voor het afstuderen ben ik met de studie gestopt. Allemaal om me los te maken van mijn afkomst.

Ik ben blij dat ik mij zo heb afgezet en losgemaakt, hoor, anders was ik nooit geweest waar ik nu ben. Maar mijn protest had ook iets hysterisch en puberaals. Ik zie nu in dat die omgangsvormen in mijn familie heel waardevol zijn, en dat je ook heel waarachtig en dicht bij jezelf kunt blijven terwijl je loyaal blijft aan je milieu. Zoals een van mijn broers, die is röntgenoloog geworden. Hij heeft wél het pad afgelegd dat van hem werd verwacht en is evengoed een waarachtig mens gebleven.’

Onafhankelijkheid

‘Ik heb altijd van beren gehouden. Beren en wolven. Die beesten symboliseren voor mij onafhankelijkheid, de totale vrijheid. Ze leven in Transsylvanië en het woeste oosten van Hongarije. In dat land woon ik sinds een paar jaar met mijn vrouw en kinderen. Het is er lekker ruig en ongerept, niet zo aangeharkt als in Nederland, daar kreeg ik het benauwd van.

Beren en wolven krijg je bijna nooit te zien, zelfs in Hongarije niet. Ze lopen met een grote boog om je heen. Als ik in Transsylvanië ben, ga ik naar ze op zoek. Dan vraag ik de dorpelingen: “Waar zijn de beren en de wolven?” Mijn zonen raken dan helemaal geïrriteerd, zo van: “O nee, daar héb je hem weer.” Al een paar keer is het me gelukt die beesten in het wild te zien; momenten van geluk.

Waar ik niet tegen kan, is ingesloten zijn. Ik kan niet in een file staan, ik moet kunnen blijven bewegen. Ik heb ook een hekel aan parkeergarages. Als ik mijn auto echt nergens anders kwijt kan, zet ik hem met veel tegenzin in een parkeergarage, maar ik parkeer dan altijd in de wegrijdpositie. Ik mijd smalle straatjes en vind het ook onplezierig als mensen om me heen komen staan. Ze moeten niet te dicht bij me komen. Ik moet het gevoel houden dat ik te allen tijde weg kan. Misschien ben ik niet voor niks een ongebonden schrijver geworden; ik kan niet goed aarden in een kantoorbaan van 9 tot 5.’

Liefde

‘Het is me steeds duidelijker dat het om liefde draait in het leven. Liefde en bezieling. Waar het om gaat, is dat je de dingen bezielt. Dat klinkt misschien gratuit voor een schrijver die lekker in Hongarije woont; als je aan de lopende band staat is het moeilijker. Maar dan nóg… de ene lopendebandmedewerker kan altijd nog een bezielder leven leiden dan de andere lopende­bandmedewerker. Alleen al door aardig te zijn voor degene die naast je staat aan de lopende band, stop je meer bezieling in je werk.

Ik probeer bezieling te stoppen in alles wat ik doe: de boeken die ik schrijf, de huizen die ik opknap, de landschappen die ik in Hongarije aanleg, hoe ik met mijn kinderen omga. De filosoof Voltaire heeft dit mooi verwoord. Aan het einde van zijn leven kwam hij tot de conclusie dat het enig belangrijke in het leven is dat je goed voor je tuintje zorgt. Goed hè? Ik houd van zo’n uitspraak. Die man heeft prachtige boeken geschreven, een fortuin opgebouwd, had grote invloed op zijn tijdgenoten, maar aan het einde van zijn leven bracht hij het terug tot z’n tuintje. Dat tuintje moet je natuurlijk overdrachtelijk zien: je kunt het vertalen naar alles om je heen. De kleinste dingen kun je nog bezielen. Het gaat puur om de dingen met aandacht en liefde doen. Als je goed voor je tuintje zorgt, het met liefde wiedt en beplant, ga je meer van dat tuintje houden en wordt het ook mooier.

Vorig jaar is mijn broer gestorven, hij had kanker en werd steeds zieker. Toen heb ik ook gemerkt hoe belangrijk dit principe is. Ik ben tijdens zijn ziekte veel bij hem geweest, en daar ben ik achteraf zó blij mee. Ik heb nu het gevoel dat dat het beste is wat ik ooit heb gedaan in mijn leven: gewoon, vaak bij mijn broer zijn toen hij dat nodig had. Het klinkt voor de hand liggend, maar ik kan het iedereen aanraden er op zo’n moment te zijn.’

Schoonheid

‘Mijn overtuiging is dat inhoud ontstaat vanuit de vorm. Probeer eerst maar iets moois te maken, dan volgt de inhoud vanzelf. Zo doe ik eigenlijk alles in mijn leven. Als ik bijvoorbeeld begin met het schrijven van een boek, weet ik vaak nauwelijks waar het over zal gaan. Ik heb wel een béétje een idee, maar meer ook niet. Ik zet eerst gewoon maar eens wat zinnen neer. Vervolgens ga ik die kloppend zitten maken, en langzaam komt er dan een verhaal in en krijgt het betekenis. Vaak weet ik pas achteraf, als het boek klaar is, waar het over gaat.

Eigenlijk heb ik bij niets in m’n leven van tevoren een duidelijk concept voor ogen. Dát vind ik de kunst van het leven: dat je niet krampachtig probeert vast te houden aan vooropgezette ideeën, maar de dingen gaandeweg laat ontstaan en meegaat in wat het leven je brengt. Het krijgt dan vanzelf betekenis voor je.

Toen ik De wet van Spengler schreef, over het overlijden van mijn broer, wist ik eerst niet wat ik nou met die gebeurtenis moest: je broer van wie je heel veel houdt, gaat dood. Dat is toch alleen maar heel afschuwelijk? Maar door het schuren en schaven aan de zinnen kreeg het boek steeds meer lading. Langzaam maar zeker kwam er iets bijzonders tevoorschijn: ik ontdekte ook de schoonheid van wat er was gebeurd, namelijk dat je heel goed, heel waardig kunt sterven. “O, nú begrijp ik het,” ging het door me heen, “er bestaat dus zoiets als goed doodgaan.”

Dat mijn broer superieur is gestorven, heeft ongelooflijk veel indruk op mij gemaakt. Hij heeft nooit gezanikt of gemekkerd. Daarmee raakte hij de kern van waar ik in geloof: het enige wat wij mensen kunnen doen, is er elke keer het beste van maken. Als mens weet je zeker dat er allerlei rampspoed over je heen komt in je leven. Je weet zeker dat je zelf ooit ziek wordt en doodgaat, en ook dat je geliefde ooit ziek wordt en doodgaat. Of jij gaat eerst, of je geliefde, maar gebeuren zál het. We kunnen voor een belangrijk deel natuurlijk zelf vorm geven aan ons leven, maar het lot heeft van alles voor ons in petto waar we vervolgens zo goed mogelijk een draai aan moeten zien te geven. Door je lot volledig te aanvaarden, je erop te storten, maak je het je eigen en dan is het ook allemaal niet meer zo verschrikkelijk. Je dóét er dan tenminste iets mee.

Ik ben blij dat mijn moeder ons die levenshouding van “niet zaniken, niet zeuren” heeft meegegeven. Het was de basis van mijn opvoeding: de schoonheid van de dingen kunnen zien. Ik kan ontzettend slecht tegen mensen die zaniken en zeuren, daar wil ik helemaal niks mee te maken hebben. Ze zeuren over het weer of over de globalisering, terwijl ze veel beter zouden kunnen nadenken over hoe ze daar iets goeds mee kunnen doen. Weet je, wat die mensen eigenlijk doen, is níét accepteren wat er wél is. Daarmee vernietigen ze het leven.’

[/wpgpremiumcontent]