Wij weten graag wie we voor ons hebben. Als je weet met wat voor persoonlijkheidstype je van doen hebt, maakt dat de ander voorspelbaar en dus minder bedreigend. De oude Grieken probeerden hun medemens al in te delen in categorieën. Geneesheer Hippocrates stelde zo’n vierhonderd jaar voor Christus dat gezondheid wordt bepaald door de juiste vermenging van vier lichaamssappen: slijm, bloed, zwarte gal en gele gal. Als een van de vochten overheerst, dan heeft dat grote invloed op het temperament, zo dacht hij. Ongeveer tweehonderd jaar later onderscheidde de Griek Galenus in navolging van Hippocrates vier persoonlijkheidstypen.

Allereerst de sanguinicus, bij wie het bloed overheerst. Dit type is beweeglijk en ongeremd, en gedreven door lustgevoelens. De sanguinicus heeft wisselende stemmingen, maar is doorgaans levendig en opgewekt. Bij de melancholicus overheerst de zwarte gal, waardoor hij naar zwaarmoedigheid neigt. Hij is letterlijk zwartgallig. Iemand met te veel gele gal, noemt men een cholericus. Hij is opvliegend van aard, maar heeft ook doorzettingsvermogen. De flegmaticus ten slotte, wordt overheerst door het slijm. Hij is herkenbaar aan een onverschillige en ten dele apathische houding. De flegmaticus blijft vrijwel altijd koel.

Tot in de twintigste eeuw is deze oeroude typologie zeer invloedrijk geweest.

Pas in 1921 kwam de Duitse psychiater Ernst Kretschmer met een geheel nieuwe indeling in persoonlijkheidstypen. Hij ontdekte dat zijn patiënten met onderling verschillende psychische aandoeningen, ook een verschillende lichaamsbouw hadden. Zo bemerkte hij dat schizofrenen meestal een lange, magere bouw hadden, terwijl manisch-depressieven eerder klein en dik waren. Hij projecteerde deze kenmerken op normale mensen en verzamelde karaktereigenschappen bij een aantal lichaamstypen waarvan de leptosoom, de pycnicus en de atleticus de belangrijkste waren.

De leptosoom (leptos = fijn, soma = lichaam) is een lang, mager type en heeft een temperament dat schommelt tussen ongevoelig en overgevoelig. Hij maakt een kwetsbare indruk, maar kan koel en stug zijn. Hij is geremd, niet gezellig of meegaand en zijn motoriek is wat stijfjes.

De pycnicus (puknos = ineengedrongen) had volgens Kretschmer een karakter dat schommelt tussen vrolijk en somber. Zijn motoriek is ontspannen. Hij heeft een stierennek en een borst en buik als een tonnetje. Hij is makkelijk in de omgang, gezellig en meelevend, maar ook een beetje praatziek.

En dan de atleticus. Met zijn kalme gemoedsleven, gedraagt hij zich rustig en bedachtzaam. Hij heeft een robuust postuur, grote handen en voeten en een krachtige kin.

Hoewel de typologieën van grote invloed zijn geweest op het denken over persoonlijkheid – wie kent geen gezellige dikkerd, een droevige melancholicus of een wat ijzige leptosoom? – kwam er kritiek dat ze te eenzijdig zijn, en de menselijke verscheidenheid te veel vereenvoudigen.

Pas halverwege de twintigste eeuw kwam er meer aandacht voor losstaande karaktertrekken. Rond 1950 kwam de Duitse psycholoog Hans Eysenck met een theorie die uitgaat van een aantal persoonlijkheidsdimensies waarop ieder individu in verschillende sterkte kan scoren. Hij begon met twee dimensies: introversie versus extraversie en neuroticisme versus emotionele stabiliteit. Onder die dimensies vallen weer heel veel karaktertrekken: bedachtzaam en stil vallen bijvoorbeeld onder introversie, humeurig en angstig onder neuroticisme.

Opvallend genoeg vertonen de dimensies van Eysenck sterke overeenkomsten met de ideeën van de oude Grieken, meer dan tweeduizend jaar geleden. We zouden de vier combinaties van de uiteinden van Eysencks dimensies kunnen omschrijven als de melancholicus (introvert en neurotisch), de flegmaticus (introvert en stabiel), de sanguinicus (extravert en stabiel) en de cholericus (extravert en neurotisch).

Inmiddels zijn de twee dimensies van Eysenck uitgebreid tot de Big Five: emotionele stabiliteit, extraversie, vriendelijkheid, zorgvuldigheid en openheid voor nieuwe ervaringen. Deze dimensies leveren zóveel mogelijke combinaties van eigenschappen op dat de mens weliswaar minder voorspelbaar wordt, maar de uniciteit van het individu gewaarborgd blijft. n

Dit is de laatste aflevering van de rubriek ‘Tijdgeest’[/wpgpremiumcontent]