Verdieping

‘Ik had het zó benauwd dat ik niet meer kon praten’

Het hart in de keel, zweet op het voorhoofd of het gevoel dat je gek wordt: mensen met een paniekstoornis denken vaak dat er iets ernstig mis is met ze. Maar juist de angst voor de angst maakt je gevoelig voor paniekaanvallen, blijkt uit onderzoek.

Nicole Kidman durft niet alleen naar premières. Ze vindt het vreselijk als alle camera’s op haar gericht zijn. Kidman is niet de enige beroemdheid die het te kwaad krijgt op de rode loper. Oprah Winfrey heeft er ook last van. Net als Johnny Depp. Allemaal figureren ze op internetlijstjes van famous-people-with-panic-attacks.
Sterren die elkaar verdringen om te vertellen hoe het is om ademloos voor de camera’s te staan: je zou haast gaan denken dat de paniekaanval hot is. Maar voor mensen die het hebben meegemaakt is het ‘de ergste ervaring van hun leven’. Vooral de doodsangst die erbij komt kijken, hakt erin. De verschijnselen van een paniekaanval lijken dan ook op die van een hartaanval: kortademigheid, druk op de borst, duizeligheid, hartkloppingen, zweten. En dat ook nog eens out of the blue, zonder dat ze voor de bus moesten rennen of door een straatrover werden belaagd. Geen wonder dat er regelmatig ambulances worden gebeld voor een paniekpatiënt.

Preventieve cursus

Naar schatting een kwart van de bevolking is vatbaar voor paniekaanvallen. Van hen ontwikkelt ongeveer een zesde ook een paniekstoornis. Daarvan is sprake als iemand twee of meer paniekaanvallen heeft gehad én bang is voor een volgende. In Nederland lijden hier jaarlijks zo’n 250.000 mensen aan.
Is de paniekstoornis in opkomst? ‘Het aantal mensen dat zich voor behandeling meldt, groeit inderdaad,’ zegt Peter Meulenbeek, onderzoeker bij het Trimbos-instituut. ‘Maar volgens mij komt die stijging vooral doordat er meer aandacht voor paniekklachten is. Mensen herkennen de symptomen eerder.’
Meulenbeek is behalve Trimbos-onderzoeker ook GZ-psycholoog bij GGNet in Doetinchem. Daar ontwikkelde hij een cursus voor mensen met paniekklachten. ‘Ik kreeg regelmatig cliënten die al jaren met een paniekstoornis rondliepen,’ licht hij toe. ‘En dat terwijl de klachten prima te behandelen zijn. Alleen, hoe langer je wacht met hulp zoeken, hoe hardnekkiger ze worden.’
Zo kwam Meulenbeek op het idee van de preventieve cursus: ‘Geen paniek’. Inderdaad, een cursus, geen therapie. De doelgroep had immers ‘slechts’ last van lichte paniekklachten en moest daar met een laagdrempelige groepsaanpak weer van af kunnen komen vóór zich een stoornis kon ontwikkelen. De resultaten waren zo mooi dat de cursus nu landelijk wordt aangeboden.

Ongevaarlijk

Wat is het geheim van Meulenbeeks cursus? ‘We leggen uit dat een paniekaanval een vals alarm van het lichaam is,’ antwoordt hij. ‘Het is een vecht-of-vluchtrespons op een moment dat er helemaal geen sprake is van een bedreiging. Het probleem zit hem daardoor vooral in de reactie op die verschijnselen; dat mensen vluchten voor de situatie waarin die hartkloppingen en dergelijke zich voordoen. Dan wordt de angst de baas. Eerst krijg je het alleen benauwd op de snelweg, maar zodra je die gaat mijden, krijg je ook last op secundaire wegen.’
Willem van der Does, hoogleraar experimentele psychopathologie in Leiden, onderschrijft Meulenbeeks benadering. In zijn praktijk als klinisch psycholoog heeft hij ook geleerd hoe belangrijk het is om mensen met paniekklachten van hun ‘angst voor de angst’ af te helpen. ‘Want dát is de crux, al zijn ze zichzelf dat vaak nauwelijks bewust,’ stelt hij. ‘Wie zich bezorgd focust op zijn hart of ademhaling, raakt gestrest, en dat versterkt de symptomen.’
Dus brengt Van der Does ze op diverse manieren bij dat hun paniekverschijnselen weliswaar onaangenaam zijn, maar volstrekt ongevaarlijk. ‘Mensen denken bijvoorbeeld dat hun hart het zal begeven als het langer dan een minuut boven de 130 slaat. Ik vraag ze dan bijvoorbeeld kniebuigingen te doen tot dat moment bereikt is – er zijn nog geen doden gevallen.’
Pas als zijn cliënten hun angst voor de paniekverschijnselen hebben losgelaten, richt Van der Does zich op hun omgang daarmee. Want, stelt hij: je kunt een aanval weliswaar aardig onder de duim krijgen met ontspanningstechnieken, maar als je meteen op deze symptoombestrijding inzoomt, loop je het risico dat je paniekpatiënten bevestigt in hun overtuiging dat die symptomen wél gevaarlijk zijn.
Om diezelfde reden ziet de hoogleraar ook een nadeel aan medicatie. ‘Ook hiermee kun je mensen onbedoeld sterken in hun idee dat er wel degelijk fysiek iets mis is. Terwijl de kern van hun probleem is dat ze vérstrekkende conclusies verbinden aan lichamelijke sensaties die we allemaal wel eens hebben.’

Verstikkingsangst

Inderdaad: iedereen heeft wel eens last van ademnood of hartkloppingen. Niet alleen als we een sprintje hebben getrokken, ook als we bijvoorbeeld te veel koffie hebben gedronken of gestrest zijn. ‘De meeste mensen nemen zulke verschijnselen nauwelijks waar,’ weet Van der Does. Een bepaalde groep blijkt ze echter wél op te merken en ze bovendien heel serieus te nemen. Dat kwam naar voren uit een onderzoek van de hoogleraar.
‘We lieten mensen taakjes verrichten terwijl ze door een buis moesten ademen,’ vertelt hij. ‘Af en toe werd de luchttoevoer heel kort afgeknepen. Veel mensen merkten daar niets van, maar een aantal meldde achteraf dat ze het hadden gevoeld. En het opvallende was: de reactietijd in de testjes vertraagde alleen bij proefpersonen die én deze kleine obstructies hadden opgemerkt én eerder hoog hadden gescoord op een vragenlijst over verstikkingsangst. Zij hadden bijvoorbeeld aangegeven dat ze niet graag in een lift zitten. Kennelijk verplaatsten zij na zo’n obstructie hun aandacht automatisch van de onderzoeks­taakjes naar wat er in hun lichaam gebeurde.’
Maar hoe kan het dan dat mensen rapporteren dat ze ’s nachts wakker worden met een paniek­aanval? ‘Zelfs in je slaap kunnen je hersenen betekenisvolle dingen opmerken,’ antwoordt Van der Does. ‘Dat iemand je naam roept bijvoorbeeld, maar ook hartkloppingen.’

Hyperactieve monitor

Is de paniekpatiënt dan gewoon een soort hypo­chonder? Nee, er lijkt toch meer aan de hand. Zo weet Koen Schruers, onderzoeker en hoofd behandeling bij het Academisch Angstcentrum in Maastricht, dat bij mensen met paniekstoornissen het detectiecentrum in de hersenen dat ons interne milieu bewaakt, vaak overactief is.
‘De zuurgraad van ons bloed verandert voortdurend,’ legt hij uit. ‘Dan zit er bijvoorbeeld iets minder melkzuur in, dan weer wat meer. Ons brein checkt dat continu, want een teveel wijst op verstikkingsgevaar. Dat checken gaat automatisch. Je merkt er niets van, totdat het monitorsysteem alarm slaat. En dat doet het bij sommige mensen al bij een heel lichte stijging. Bij zulke mensen blijk je ook een paniekaanval te kunnen uitlokken met een melkzuurinfuus.’
Ook voor koolzuur (CO2) blijken sommigen hypergevoelig. In grote hoeveelheden is koolzuur voor iedereen giftig, maar deze mensen vliegt een lage concentratie al naar de keel. Wat weer een ander licht werpt op nachtelijke paniekaanvallen. Tijdens de diepe fasen van de slaap daalt de ademhalingsfrequentie immers, waardoor het koolzuurniveau stijgt.
Frappant in dit verband is het feit dat er een link blijkt te zijn tussen paniekaanvallen en ademhalingsaandoeningen. Schruers: ‘Astma- en COPD-patiënten hebben een grotere kans op een paniekstoornis. En omgekeerd kennen paniek­patiënten vaak een voorgeschiedenis van respiratoire aandoeningen of er zit bijvoorbeeld astma in de familie.’ Helemaal irreëel is hun verstikkingsangst dus niet.

Korset

Toch ontwikkelt lang niet iedereen met zo’n biologisch bepaalde overgevoeligheid een paniekstoornis. ‘Externe factoren spelen ook een rol,’ zegt Koen Schruers. ‘De paniekklachten worden vrijwel altijd voorafgegaan door een stressvolle ­periode. Als je er genetisch gezien aanleg voor hebt, maar goed leert omgaan met spanningen, hoeft er dus niets aan de hand te zijn.’
Schruers ziet dan ook geen tegenstrijdigheid tussen zijn bevindingen en het feit dat de meeste paniekpatiënten hun klachten onder controle kunnen krijgen met cognitieve gedragstherapie. ‘Biologie en psychologie hangen nauw samen,’ zegt hij. ‘Bij mensen met dwangstoornissen zie je bijvoorbeeld ook overactiviteit in bepaalde hersendelen en daarvan is al aangetoond dat die minder wordt na gedragstherapie.’

‘Ik krijg het zó benauwd dat ik niet meer kan praten’

Yuen Lai Yung (29): ‘Ik was een jaar of dertien en ik stond in het restaurant van mijn ouders. Het was er rustig en de muziek die opstond was ook rustig, Richard Clayderman geloof ik. Maar ineens werd ik vreselijk zenuwachtig van die muziek. Mijn hart begon als een gek te bonzen en ik kreeg het benauwd. Ik ben naar de kelder gevlucht.
Sindsdien heb ik vaker van die aanvallen gehad. Ik ben medewerker sportprojecten in Den Haag en kom regelmatig op evenementen waar luide muziek wordt gedraaid. Meestal gaat dat goed, maar dan ineens krijg ik het zo benauwd dat ik niet eens meer normaal kan praten.
Ze zeggen dat stress een rol speelt, maar ik zie het niet. Ja, die eerste keer zat ik pas op de middelbare school en waren mijn ouders net met dat restaurant begonnen, dat was natuurlijk spannend. Maar op zich kan ik goed presteren onder druk. Misschien speelt het een rol dat ik niet zo goed over mijn gevoelens kan praten.
Maar ik laat er niets om, hoor. Ik heb bijvoorbeeld ooit zo’n aanval gehad in een restaurant waar housemuziek werd gedraaid, en daar kom ik nog steeds.’

‘Je moet een beetje hard zijn voor jezelf’

Mia Schuit (29): ‘Ik liep op straat en kreeg ineens een gevoel alsof ik aan de rand van een ravijn stond. Het zweet brak me uit, ik verstijfde helemaal. Ik was zeven jaar en dat was mijn eerste paniekaanval. Nadat het me nog een paar keer was overkomen, ging ik denken dat ik iets vreselijks onder de leden had. Gelukkig stelden mijn ouders me gerust: ik was waarschijnlijk gewoon een beetje gespannen. Dat klopte, ik kon het slecht vinden met mijn schooljuf.
Ik heb er daarna bij vlagen last van gehouden. Telkens in periodes van stress, bijvoorbeeld toen ik op de wachtlijst stond voor een operatie. Als puber had ik de neiging om plekken waar ik aanvallen had gehad, te mijden. Maar op een gegeven moment zag ik: ik ben vooral bang voor de angst. Als ik nu een paniekaanval voel opkomen, blijf ik waar ik ben. Je moet een beetje hard zijn voor jezelf, anders wordt álles eng.
Dat ik er zo mee heb leren omgaan, komt ook doordat ik er goed over kan praten met mijn moeder. Die heeft zelf ook last van paniekaanvallen en heeft me altijd voorgehouden dat ze geen kwaad kunnen. Dit is gewoon mi­jn manier van op stress reageren.’

Zo word je de paniek de baas

  • Schenk geen overdreven aandacht aan wat er in je lichaam gebeurt. Je gaat naar de winkel om te winkelen, niet om je hartslag in de gaten te houden.
  • Slaat je hart of ademhaling toch op hol, neem die verschijnselen dan zoals ze zijn. Ze horen erbij en ze zijn ongevaarlijk.
  • Geef niet toe aan je paniek. Probeer in de situatie te blijven waar ze de kop opstak en blijf daar nog even nadat ze is weggeëbd. Zo voorkom je dat je een link legt tussen deze situatie en je angst. Zoek zonodig de situatie opnieuw op.
  • Vermijd veiligheidsgedrag. Wees streng voor jezelf als je bijvoorbeeld merkt dat je alleen nog met je partner de deur uit gaat: ook dat is toegeven aan je angst.
Meer lezen: Leven met een paniek­stoornis, Fred Sterk en Sjoerd Swaen, Bohn Stafleu Van Loghum, € 18,50

Dit artikel verscheen eerder in Psychologie Magazine.
Auteur: Anne Pek

 

69735