Verdieping

‘Van een scheve lantaarnpaal werd ik al somber’

Hoe ironisch: een cabaretier met een depressie. 'Soms is humor hetzelfde als vertaald verdriet,' zegt Mike Boddé (51). Op het dieptepunt overwoog hij zelfs even om eruit te stappen. Maar zijn leven werd gered door een pil.

Als ik ’s ochtends om tien uur aanbel bij het huis van Mike Boddé in Maarssen doet zijn vrouw open. ‘Hallo, kom je voor Mike? Die ligt nog in bed… Ik zal hem zeggen dat je er bent.’
Na een paar minuten komt hij in ochtendjas de woonkamer binnen en neemt tegenover me plaats aan de eettafel. Hij ziet er nog niet helemaal wakker uit: haar in de war, ogen nog niet helemaal open. ‘Ik wist dat je kwam, hoor, maar ik kan ’s ochtends nogal moeilijk mijn bed uitkomen.’
Zijn ochtendslaperigheid is een van de bijwerkingen van het antidepressivum Anafranil, vertelt Boddé. Al ruim tien jaar slikt hij het. Tussen zijn negentiende en zijn dertigste kampte hij met een loodzware depressie die op slag verdween nadat hij, na eerst vier soorten te hebben geprobeerd, het juiste antidepressivum begon te nemen. Deze maand verschijnt van Boddé een boek over de worsteling met zijn depressie. ‘Dat boek móést ik gewoon schrijven, voor de mensen die kampen met een depressie,’ zegt hij. ‘Misschien geeft het mensen steun en een beetje hoop: dat je uit je depressie kunt komen, hoe zwart en eindeloos die ook lijkt te zijn. Als ik destijds zo’n boek had gehad, zou ik eerder zijn genezen.’ Hij gaf het de titel Pil, overtuigd als hij is dat het een pil was die zijn leven heeft gered.

Vreselijk dat het jaren duurde voordat je de juiste behandeling kreeg voor je depressie.

‘Ja, dat had vooral te maken met het feit dat ik lange tijd niet doorhad dat ik een depressie had. De eerste verschijnselen leken er niet zo op te wijzen; pas achteraf gezien waren die wel degelijk het begin van mijn depressie. Ik was toen net in Amerika gaan wonen om aan het conservatorium te studeren. Tijdens een feestje rookte ik een joint waarvan ik in een bad trip schoot. Mijn hoofd raakte voller en voller met allerlei angstige beelden: ik zag mezelf afgevoerd worden in een ambulance, mezelf in een gevangenis belanden, van die vreselijke dingen allemaal. In blinde paniek rende ik naar buiten, maar daar werd ik nóg banger, dus rende ik weer naar binnen, het toilet in. Daar heb ik uren gezeten, totaal in paniek. De weken daarna bleef ik angstaanvallen houden, vooral in situaties waar ik moeilijk weg kon. Ik hoefde maar in de klas te zitten of ik kreeg het al spaans benauwd. Het was alsof mijn brein onder invloed van die wiet een nieuw paadje had gemaakt, en dat paadje, daar schoot ik nu telkens zomaar in. Op een gegeven moment heb ik het vliegtuig gepakt, ik wilde zo snel mogelijk terug naar Nederland.’

Maar thuis ging het niet beter?

‘Nee, ik bleef die angst houden. Op een gegeven moment, tijdens het laatste jaar van mijn studie in Leiden, werd ik van de ene op de andere dag zó ontzettend moe dat ik moest ophouden met studeren. De cabaretoptredens die ik in die tijd met mijn studiegenoot Thomas van Luyn was begonnen vielen me steeds zwaarder. Ik ben toen naar een internist en een psychiater gestapt, maar die konden niks vinden. Ik dacht dat ik me had, die vermoeidheidsziekte.’

Vervolgens kwam je in het circuit van alternatieve genezers terecht.

‘Helaas wel, ja. Van nature ben ik een nuchter, kritisch persoon die daar niets van moet hebben, maar in die tijd was ik ten einde raad. Achteraf denk ik: vreselijk, de ónzin die sommigen aan je durven te verkopen. Bij eentje moest ik bijvoorbeeld twee ijzeren staafjes vasthouden die in verbinding stonden met een spanningsmeter. In mijn hand moest ik een briefje erbij vasthouden met een woord erop, zoals “sinaasappel”. Als de spanningsmeter bij het sinaasappelbriefje uitsloeg, had ik zogenaamd een overgevoeligheid voor sinaasappels. Na verloop van tijd dacht ik: laat ik maar weer naar een psychiater gaan, wie weet vindt híj iets. Eindelijk kreeg ik toen de juiste diagnose: ik had een depressie. Opeens vielen alle puzzelstukjes voor mij op hun plaats. Die bad trip was het begin geweest van de psychische problemen, en de angst, vermoeidheid en spierzwakte waar ik last van had, kunnen allemaal symptomen van depressie zijn. Dat had ik nooit geweten.’

Je psychiater gaf je een antidepressivum.

‘Ja, daardoor verdwenen vermoeidheidsklachten, maar de pil had als bijwerking hevige angst en slapeloosheid. Wekenlang deed ik geen oog meer dicht en op een gegeven moment moest ik noodgedwongen stoppen met die pil. Nou, dát bleek voor mij de genadeklap te zijn, want toen werd ik pas écht somber. En de andere pillen die ik daarna voorgeschreven kreeg, hielpen allemaal niet.’

Hoe zag je depressie eruit?

‘Van top tot teen was ik gevuld met angst en neerslachtigheid. De wereld zag ik door een zwart filter. Werkelijk niets kon ik nog positief zien. Als ik een scheve lantaarnpaal zag, werd ik daar al heel somber van. “Zie je wel,” redeneerde ik dan, “die lantaarnpaal is het bewijs dat de wereld in verval is. Alles is ten dode opgeschreven.” Mijn zintuiglijke waarnemingen kwamen knetterhard binnen. Muziek voelde als een mokerslag op mijn hoofd. En ik werd een beetje sociaal fobisch: ik bleef zoveel mogelijk uit de buurt van mensen.’

In welke mate was je leven veranderd door je depressie?

‘O, compleet. Na vier jaar depressie kon ik niet eens meer in mijn eigen huis blijven wonen, ik was te inactief geworden. Mijn ouders namen me mee naar hun huis, ze probeerden me nog een beetje aan de gang te houden door af en toe met me te wandelen of een stukje te rijden. Maar ik zakte dieper en dieper weg in de modder. Aanvankelijk kon ik nog een uurtje op de bank zitten met een boekje over vogels, maar later liep ik totaal verzenuwd te ijsberen, en nog later kon ik het niet eens meer opbrengen mijn bed uit te komen. Het voelde alsof ik in de hel terecht was gekomen.’

Zonder uitzicht op verlossing.

‘Precies, ik was ervan overtuigd dat het nooit meer over zou gaan. Dingen als muziek en humor, waar ik voorheen veel plezier aan beleefde, deden me niet veel meer. Daardoor kwam ik op het punt dat ik dacht: “Ik kan er net zo goed uit stappen. Doodgaan is de enige oplossing.” Heel gek, tegelijkertijd kwam toen ook ineens, ik weet niet waarvandaan, de gedachte op: “Een Mike Boddé doet dat niet.” Kennelijk was dat het laatste restje zelfrespect dat ik nog had.’

Ironisch dat juist een cabaretier terechtkomt in het tegenovergestelde van humor: een depressie.

‘Dat is niet zo raar als het lijkt. Humor is soms hetzelfde als vertaald verdriet, en dan kun je als cabaretier ellende grappig maken door het heel erg te overdrijven.’

Tot overmaat van ramp werd tijdens je depressie je broer ook nog ongeneeslijk ziek.

‘Ja, maar het bijzondere was dat mijn depressie daar niet erger door werd. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het sterfproces van mijn broer was een welkome afleiding. Weet je wat het is: depressie is een leeg, zwart, betekenisloos gat, maar afscheid nemen van mijn broer, dat gíng tenminste ergens over: over de liefde die je voor iemand voelt, over de betekenis die iemand voor jou heeft. Tijdens zijn ziekte maakte ik een boekje over mijn broer, met tekeningetjes en verhaaltjes. Eindelijk was er weer iets dat me bezighield. Dat deed me goed.’

Behalve medicijnen heb je gesprekstherapie gehad. Hielp dat een beetje?

‘Nee, die gesprekken helpen vooral bij lichtere depressies, mijn depressie was daar veel te zwaar voor. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik gesprekstherapie waardeloos vind, hoor. Want voor mijn leven ná de depressie heb ik er wél onwijs veel aan gehad: je leert in die therapie je eigen negatieve gedachten ter discussie te stellen, en dat maakt je leven aangenamer. Zoals dat ik voorheen altijd overal de beste in moest zijn van mezelf; nu besef ik dat ik best een eenvoudige boerenlul mag zijn.’

Denk je dat die worsteling met zelfvertrouwen heeft bijgedragen aan je depressie?

‘Mwoah, je kunt net zo goed beweren dat die depressie mijn gebrek aan zelfvertrouwen heeft veroorzaakt. Het enige wat ik weet, is dat ik na tien jaar depressie de juiste pil ging slikken en dat vlak daarna mijn stemming weer normaal werd. Ach, zelfvertrouwen vind ik ook een beetje een onhandig woord. Ik heb meer met zelfacceptatie. Daar kan ik iets mee. Hoe kun je nu vertrouwen hebben in een eigenschap die je negatief vindt? Wie zegt er nu: “Ik heb veel vertrouwen in mijn rancuneuze inslag.” Niemand toch?’

Weet je je nog het moment te herinneren dat je beter werd?

‘Ja, ik werd die ochtend wakker en mijn eerste gedachte was: “Goh, ik heb zin om mijn vriend Dirk eens te bellen.” Dat gevoel had ik echt járen niet meer gehad. Toen ik even later naar buiten keek, betrapte ik mezelf erop dat ik dacht: “Nou, dat ziet er allemaal oké uit.” De zwarte waas was verdwenen. Mijn gevoel voor humor kwam terug, ik kon weer genieten van muziek. Zoetjesaan ben ik toen weer gaan werken en heb ik mijn leven weer opgepakt.’

Ben je bang dat je depressie ooit terugkomt?

‘Nu niet meer, maar een tijd geleden ging het wel even mis. Ik was al een tijdje mijn medicijnen voorzichtig aan het afbouwen, ik wilde proberen of ik na al die jaren zonder zou kunnen. Maar nee: ik zakte weer weg in die tomeloze depressie. Mijn psychiater verhoogde de dosis tot het oude niveau, en twee weken later was de depressie als sneeuw voor de zon verdwenen. Dat bevestigde mijn vermoeden dat mijn depressie te maken heeft met een chemische disbalans in mijn hersenen.’

Blijf je voorgoed pillen slikken?

‘Zeker weten. En alle bijwerkingen neem ik graag op de koop toe. Ik ben vijfendertig kilo aangekomen, heb altijd een droge mond, trillende handen en meer van die dingen. Ach, er valt goed mee te leven. Gelukkig stopt het trillen van mijn handen zodra ik piano speel. Bij optredens staan er altijd drie glazen water op de piano in plaats van één. En bij Kopspijkers kreeg ik de dikke rollen aangeboden dánkzij mijn overgewicht, dus dat is alleen maar mooi. Ik zou best slanker willen zijn, maar ik ben liever dik en vrolijk dan dun en zum Tode betrübt.’

Laatste vraag: heb je iets van je depressie geleerd?

‘Ik weet niet of ik kan zeggen dat ik er iets van heb geleerd. Ik ben er wel door veranderd, in die zin dat die depressiejaren zó kut waren, dat alles daarná een cadeautje leek. Ik ben blij dat ik nu gewoon kan léven, werk heb dat ik wel leuk vind, mensen om me heen heb waar ik het goed mee kan vinden. Het klinkt afgezaagd, maar toch is dat wat mij gelukkig maakt.

Over Mike:

Mike Boddé (1968) is geboren en getogen in Rotterdam. Hij studeerde sinologie in Leiden, waar hij cabaret ging maken met studiegenoot Thomas van Luyn. Samen wonnen ze enkele prijzen, maar toen zich bij Boddé een zware depressie openbaarde, was hij jarenlang niet in staat tot optreden. Na zijn genezing pakte hij in het jaar 2000 de draad weer op, en trad hij zowel solo op als met Van Luyn. Grote bekendheid verwierven ze met hun tv-programma De Mike & Thomas Show. Boddé oogstte ook veel lof met zijn imitaties van Hilbrand Nawijn, Saddam Hussein, Frans Bauer en Henk van Dorp in het tv-programma Kopspijkers. In 2016 maakte Boddé bekend dat hij zich terugtrekt uit de cabaretwereld, en zich alleen nog gaat richten op het maken van muziek.

Dit artikel verscheen eerder in Psychologie Magazine.
Auteur: Edwin Oden

53501