Er moest nog iets af, dus ben ik te laat van de redactie vertrokken. Opgefokt fiets ik door de Amsterdamse binnenstad, slenterende toeristen wegbellend. Eenmaal op de stoep bij Koen de Jong moet ik eerst uithijgen. Slechte beurt, denk ik als ik De Jong een hand geef, want hij gaat straks meten hoe ik er fysiek aan toe ben. Anderzijds: met mijn hart zit het vast goed, ik maak dit soort kamikazeritten immers dagelijks.

Inderdaad, pompen doet mijn hart prima, meldt De Jong als ik na een inleidend praatje acht minuten lang stil op een stoel heb gezeten. Om mijn ribbenkast zit inmiddels een band met een meetkastje eraan, en dat heeft net vastgesteld dat mijn hartslag mooi laag is.

Maarrrr… het ding heeft ook mijn hartslagvariabiliteit gemeten, en daarover is De Jong minder te spreken. In de lengte van de periodes tussen twee opeenvolgende slagen zit bij mij te weinig variatie. Dat duidt er volgens hem op dat mijn lichaam ook hier binnen bij wijze van spreken nog denkt dat er ieder moment een toerist voor mijn wielen kan springen. Helemaal klaar voor een noodstop terwijl ik rustig achter een schrijftafel zit – het is wat onzinnig.

Ook mijn ademfrequentie past meer bij iemand die over de grachten jakkert. Het kastje heeft gemeten dat ik op een gegeven moment achttien keer per minuut inademde, terwijl acht keer volgens De Jong nu voldoende is. Nou ging halverwege de meetsessie – De Jong was net even de kamer uit – mijn mobieltje, zodat ik vloekend moest vaststellen dat ik met een kabeltje aan mijn lijf écht niet bij de kapstok kon komen, maar ook daarvoor zat ik al op een stressfrequentie van twaalf.

‘Op zich is er niets mis met snel ademen,’ sust De Jong meteen. ‘Dat doe je ook als je ergens enthousiast over bent. Maar dan ebt het op een gegeven moment vanzelf weer weg. Terwijl een hoge ademfrequentie door negatieve spanningen vaak langer aanhoudt. En: hoe hoger je ademfrequentie, hoe hoger ook je adrenalineniveau en hoe vlakker je hartslagvariabiliteit. Zo verkeert je lichaam dus in een continue staat van paraatheid. Bij sommige mensen gaat dat zelfs ’s nachts door. Die worden net zo moe wakker als ze naar bed gaan.’

Hee, herkenbaar! Ik voel mij om zeven uur ’s ochtends vaak alsof er een olifant op me heeft gezeten. Altijd gedacht dat dat mijn ochtendhumeur was, maar kennelijk heb ik gewoon een op hol geslagen ademhaling. Gelukkig valt daar, anders dan aan je bioritme, goed aan te sleutelen. Dus vraagt De Jong me nog eens acht minuten rustig te ademen, en daarbij vooral te letten op de manier waarop ik de lucht uitblaas. Dat moet namelijk iets langer duren dan het inademen. Grappig, zeg ik, mij is altijd verteld dat je vooral diep moet ínademen. ‘Je ­lichaam neemt de zuurstof op tijdens het uitademen,’ luidt De Jongs verklaring. Dan doet hij voor hoe dat moet: met enige kracht tussen licht gesloten lippen door blazen.

Het doet mij een beetje aan zwangerschapsgym denken, maar goed, alles om die ochtendolifant te verjagen. Een paar minuten zit ik dus geconcentreerd te puffen en inderdaad, het kastje om mijn middenrif tovert nu heel andere grafiekjes op het scherm. Niet alleen dat: ik voel me wonderlijk sereen. Maar dat is kennelijk zó helemaal niet mezelf dat ik ervan schrik, want ik heb het nog niet opgemerkt of ik hap gierend naar adem. Of was dat gewoon omdat er weer een mobiel piepje uit de kapstok klonk? Hoe dan ook, De Jong kan het moment precies aanwijzen: ‘Hier zie je dat je hartslagvariabiliteit weer afneemt en de onrust terugkomt.’

Goed ademen is inderdaad best lastig, zeker als je toch al gespannen bent, zegt De Jong tot besluit. Maar als ik het nou iedere dag tien minuutjes oefen, lukt het me op stress­momenten beslist beter dan nu. Dat ga ik zeker doen, neem ik mezelf ferm voor. Maar nu eerst teruggesjeesd naar de redactie, want er moet nog iets af.[/wpgpremiumcontent]