Ik ging eens lunchen met een collega-coach. Hij was me aangeprezen als scherp en confronterend, maar al snel knapte ik af. Hij stelde veel persoonlijke vragen, keek me daarbij indringend aan, reageerde in de stijl van ‘Is dat belangrijk voor je?’, ‘Heb je dat vaker?’ en keek dan nóg indringender. Bah, dacht ik, we zouden toch wat babbelen over ons werk, wat is dit? Maar ja, misschien dacht híj wel dat ik zijn ‘rake vragen’ wilde vermijden.

Hieraan dacht ik terug toen Zomergast Carice van Houten deze zomer een fragment liet zien waarin Piet Vroon wordt geïnterviewd door Martin Šimek. Ze lopen langs het strand, Vroon vertelt en kijkt voor zich uit. Samen lopen is een mooie manier om elkaar te leren kennen, vind ik. Je hebt iets te doen en hoeft elkaar niet steeds aan te kijken. Maar Šimek houdt steeds halt, gaat tegenover Vroon staan, dichtbij, kijkt hem aan en stelt een persoonlijke vraag. Vroon kijkt gespannen, haast angstig, reageert behoedzaam.

Carice van Houten vond dit herkenbaar: de angst van Vroon voor de intimiteit die Šimek probeert te bereiken. Vroon, de intellectueel, kan daar niet mee overweg en klapt dicht. Dat herkende ik ook. Maar, dacht ik, is het hier nu echt om intimiteit te doen? Probeert Šimek echt contact te maken?

Nee! Opeens begreep ik het. Als je echt contact wilt maken, probeer je bíj die ander te zijn. Dan zie je wat voor de ander gepast is, waar weerstanden en gevoeligheden liggen, en toon je daar respect voor. Dát is het begin van intimiteit. Dat creëer je door mee te bewegen met de ander, niet door zijn grenzen voor fysieke nabijheid te overschrijden, waardoor hij niet anders kan dan terugdeinzen. En wil je iemand tot zelfonthulling brengen – ook een manier om intimiteit te scheppen – dan moet je ook iets van jezelf onthullen.

Wat Šimek deed, en de coach met wie ik lunchte, is intimideren – en hoewel het woord erop lijkt, bereik je hiermee allesbehalve intimiteit. Want je drukt de ander weg.

Ongetwijfeld zijn er mensen die écht bang zijn voor intimiteit, en die al gauw ten onrechte vinden dat een ander – een therapeut, interviewer of geliefde – te opdringerig is. Maar dankzij de psychologisering van onze samenleving vrees ik dat het omgekeerde veel vaker gebeurt: in een oprechte poging anderen te helpen of hun ziel bloot te leggen, of een onoprechte poging te schitteren als iemand die dwars door mensen heen kijkt, worden de nabijheidsgrenzen van een ander respectloos overschreden. Stuit dat op weerstand, dan heeft die ander ‘remmingen’. Terwijl juist gevoelige mensen hier misschien wel het meest last van hebben; zij voelen het eerst dat de overschrijding niet passend is.

Het verlangen naar contact, de ziel van de ander te doorgronden, vraagt afstand en geduld. Die gevoelige, schuwe hond die iedereen in zich heeft, komt niet opeens tevoorschijn omdat je er scherp en confronterend bovenop zit, maar op zijn eigen moment, misschien wel als je net niet oplet. Kijk hem dan niet gelijk recht in het gezicht. Loop rustig samen op, en kijk af en toe opzij. Voor wie dat kan opbrengen, is de beloning groot: intimiteit, nabijheid in de ware zin van het woord.

Roos Vonk is hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, auteur en managementconsultant. (www.roosvonk.nl)