Van mijn eerste baas herinner ik me niet veel. De serieuze man die me af en toe een goedkeurende blik toewierp, wist me slechts één keer echt te raken: toen hij een afscheidsspeech voor me hield. De tweede baas was een ramp. Van hem leerde ik vooral hoe het niet moet: pappen en nathouden, vaag kletsen en doormodderen. Zijn talent om tijdens crisissituaties afwezig te zijn, staat me ook nog helder voor de geest. Nummer drie blonk niet uit door kennis of ervaring, maar wist wel de club bij elkaar te houden.

Bij de vierde begon het erop te lijken. Aan managen had deze professional een hekel, maar zijn originele invallen oogstten roem. Wie met hem aan de praat raakte, had de ideeën voor het opscheppen. Inhoudelijke kennis én belangstelling, zo leerde hij mij, vormen de kern van inspirerend leiderschap. De vijfde baas had overal verstand van, behalve van mensen. Toen hij merkte dat zijn omgeving dat doorhad, hield hij nog een tijdje de schijn op, maar uiteindelijk zette hij zijn masker af. Van hem leerde ik dat je beter je onzekerheid kunt tonen dan elke dag theater spelen.

Nummer zes had weer andere kwaliteiten. Afgezien van zijn met

Log in om verder te lezen.