Er is hoop
Zijn ingesleten patronen in hoe we omgaan met anderen eigenlijk nog wel te veranderen? Zijn mensen met een onzekere hechtingsstijl gedoemd om voor altijd te blijven worstelen met relaties? Is er nog hoop als je weet dat wetenschappers al vóór de geboorte voor 75 procent kunnen voorspellen welke hechtingsstijl het kind zal krijgen, alleen door het gedrag van de moeder te observeren?

Ja, ondanks dat is er hoop. Hechtingsstijlen zijn tamelijk goed veranderbaar, en ze veranderen vooral de goede kant op, zo blijkt uit onderzoek. Ongeveer 30 procent van de mensen slaagt er in de loop van het leven in om een veiliger hechting aan te gaan. Mensen die als kind al veilig gehecht waren, verliezen die basis meestal niet – hoewel veilig gehechten die toevallig de verkeerde partner tegen het lijf zijn gelopen, wel moeten oppassen.

Iemand die van zichzelf een veilige hechtingsstijl heeft, maar een relatie aangaat met een onzeker gehecht persoon, wordt daardoor ‘besmet’ en kan dan minder zeker worden in relaties, zo blijkt uit een experiment dat Psychologie Magazine deed in samenwerking met de Nijmeegse onderzoeksters Dineke Kroesbergen en Roos Vonk.

Volgens Vonk is het de kunst om erachter te komen waar je relatieproblemen vandaan komen: ‘Is je partner iemand die niet bij je past en niet aan jouw relatiebehoeften tegemoet kan komen? Of ligt het meer aan je eigen onzekere hechtingsstijl, en zijn je behoeftes zo irreëel dat niemand eraan kan voldoen? Het antwoord op deze ­vragen kan bepalend zijn voor de keuzes die je maakt in een onbevredigende relatie, bijvoorbeeld een relatie waarin jij altijd meer wilt dan de ander.’

Wie zijn onzekere hechtingsstijl wil veranderen, heeft allerlei mogelijkheden tot verbetering, zo staat te lezen in Omgaan met hechtingsproblemen van Pieternel Dijkstra. Je kunt er allereerst zelf veel aan doen, stelt ze. ‘Bijvoorbeeld door je relatie langzaam op te bouwen. Veel mensen rollen in een relatie zonder dat ze daar goed over nadenken. Ze laten zich leiden door verliefdheid en lichamelijke aantrekkingskracht.

Dit geldt vooral voor mensen met verlatingsangst, de angstig-obsessief gehechten die moeite hebben om op eigen benen te staan. Ik zou zeggen: leer elkaar eerst eens kennen voordat je voor elkaar kiest. Heb je dezelfde normen en waarden, dezelfde doelen, dezelfde verwachtingen van een relatie? Passen jullie persoonlijkheden bij elkaar? Dat zijn belangrijke voorwaarden om een relatie te laten slagen.’

Soms is het raadzaam om in relatietherapie te gaan. Daar leren partners elkaars signalen beter op te vangen, waardoor ze positiever op elkaar gaan reageren en de relatie warmer en stabieler wordt. Maar ook een individuele aanpak kan helpen. Bij inzichtgevende therapie onderzoek je de mechanismen uit je kindertijd, om het verleden los te kunnen laten en andere keuzes te kunnen maken in het heden. Bij cognitieve gedragstherapie draait het om het aanleren van een realistischer en genuanceerder beeld van ­relaties.

Een vermijdend persoon met bindingsangst kan door therapie gaan inzien dat niet álle mensen onbetrouwbaar zijn, terwijl iemand met verlatingsangst een positiever zelfbeeld kan ontwikkelen. Pieternel Dijkstra. ‘Wie zichzelf niet langer naar beneden haalt, zijn sterke kanten leert benoemen, assertief is en verantwoordelijkheid neemt voor zijn successen, zal niet meer zo bang zijn dat hij wordt verlaten.’

Naar les 6: Partner als therapeut