Niet iedereen bouwt met evenveel gemak een mooie liefdesrelatie op. Zo’n 30 à 40 procent van alle mensen is wat minder bedreven in het aangaan van intieme banden. Hun liefdesleven verloopt moeizaam. Velen van hen hebben geen partner, en als ze er wél een hebben, is het vaak hangen en wurgen.

Ze hebben het gevoel dat ze te weinig liefde krijgen, omdat de ander vooral met zichzelf bezig is. Of ze krijgen het snel benauwd in een relatie, omdat de ander juist behoeftiger is dan zij en telkens aandringt op diepe gesprekken, gezamenlijke familie­bezoeken en avondjes op de bank. En wat te denken van de man van die ene vriendin, die wel behoefte heeft aan nabijheid, maar er toch telkens voor terugschrikt. Als zijn vrouw zegt dat ze hem mist, doet hij het af met: ‘Nou zeg, niet sentimenteel worden, hoor!’

Hoe kan het toch dat sommige mensen er maar er niet in slagen om een bevredigende band met elkaar op te bouwen, hoe graag ze dat ook willen? Gaan deze minder gelukkigen op een verkeerde manier relaties aan? Zoeken ze types uit die niet bij hen passen, of reageren ze misschien verkeerd op degene die wél bij hen past – waarmee ze een relatie die op zich succesvol zou kunnen zijn, in de kiem smoren? En zijn die patronen nog te veranderen?

Eerste jaren
De manier waarop we als volwassene omgaan met liefde en intimiteit, wordt voor een belangrijk deel bepaald door onze vroegste ervaringen. Cruciaal is hoe onze ouders in de eerste jaren na onze geboorte reageerden op onze behoeften. ‘Mensen hechten zich aan hun partner zoals ze dat in hun jeugd aan hun ouders hebben gedaan,’ aldus psycholoog Pieternel Dijkstra, schrijfster van het boek Omgaan met hechtingsproblemen. De omgangspatronen die je in je jeugd hebt aangeleerd, zijn meestal behoorlijk hardnekkig, zegt Dijkstra. ‘Je neemt ze mee naar de volwassenheid, en ze gaan dan de relatie met je partner beïnvloeden.’

Ga verder naar les 2: hechtingstheorie van Bowlby