Karin Westerbeek van het Centrum voor Educatieve Dienstverlening in Rotterdam: ‘Adelmund loopt met dat project echt achter de feiten aan. Wij hebben hier al verschillende onderzoeken gedaan, waaruit blijkt welke punten belangrijk zijn om de achterstand weg te werken. Je moet allochtone kinderen bijvoorbeeld niet onderdompelen in het Nederlands. Door ze eerst vaardigheden in de eigen taal bij te brengen, en dezelfde les eerst in de eigen taal en een week later in het Nederlands te geven, wordt kennis makkelijker opgenomen. Maar de aandacht voor Nederlands als tweede taal alleen is niet genoeg, ook voorschoolse opvang, de vaardigheden van de leraar en de afstemming tussen bepaalde groepen kinderen en de inhoud van de vakken zijn belangrijk. We zijn nu dan ook bezig met een tienjarig project waarbij al deze factoren samen onder de loep worden genomen. D r zou Adelmund zich op moeten richten.’

Turkan Aliskan, assistent-coordinator van de ‘Stapprojecten’ in Veenendaal:

‘Ouders en kinderen moeten s men aangepakt worden. Bij onze projecten gaat er één keer in de twee weken een begeleider op huisbezoek en daarnaast zijn er om de week groepsbijeenkomsten voor de ouders. Wij stimuleren interactie tussen ouder en kind: spelletjes spelen, voorlezen, veel praten, zorgen

dat er aandacht is voor het kind. Dat kan ook heel goed in de eigen taal, maar daarnaast moeten ouders zich bewust worden van het belang van de Nederlandse taal. Ikzelf praat thuis ook Turks, maar ik laat mijn kinderen naar Nederlandse televisieprogramma’s kijken, lees Nederlandse boeken voor en stuur ze naar buitenschoolse activiteiten waar ze Nederlands praten. De continuïteit van onze projecten is heel belangrijk: van het tweede tot het zesde levensjaar van het kind is er begeleiding, want met een paar keer praten bereik je niets. Het blijkt dat deze kinderen het over het algemeen ook daadwerkelijk beter doen op school. Maar meer onderzoek is natuurlijk altijd goed, want die taalachterstand

is een moeilijk probleem. Wij kunnen bijvoorbeeld ook niet iedereen bereiken met onze projecten, omdat ze niet verplicht zijn en je ouders niet kunt dwingen.’

Dolph Kohnstamm, emeritus hoogleraar in de psychologie: ‘Ik vind dat we het begrip ‘achterstand’ niet meer moeten gebruiken. Dat begrip houdt impliciet in dat er iets kan en moet worden ingelopen. Iedere keer dat dat niet lukt, zit je met een teleurstelling en moeten mensen zich daarvoor verantwoorden. We moeten af van dat rekenen met gemiddelden waar we die achterstanden uit concluderen, en we moeten ons juist gaan concentreren op het percentage kinderen dat een bepaald doel kan bereiken. Probeer bijvoorbeeld het aantal kinderen dat uiteindelijk een mbo-diploma haalt, omhoog te halen. Je moet dat doel natuurlijk niet zo stellen dat het weer op grote mislukkingen uitloopt. Je moet die doelen bijvoorbeeld niet gelijk stellen aan die van kinderen van autochtone Nederlandse ouders die hier al tijden wonen, maar gewoon wat lager.’

Oscar Demesmaeker, directeur van basisschool ’t Palet in de Schilders wijk in Den Haag, waar 98 procent van de leerlingen allochtoon is: ‘Ik vind dat plan van Adelmund volkomen onnodig, want alles is al uitgedacht.

We weten allang dat kinderen vanaf 2,5 jaar naar school moeten, er meer peuterspeelzalen moeten komen die de hele dag open zijn en dat de methodes die al bestaan voor deze kinderen op meer scholen gebruikt moeten worden. Wij hebben er altijd flink wat geld tegenaan gegooid om aan het probleem van de leerachterstand te werken: we hebben speciale taalprogramma’s voor vierjarigen die geen woord Nederlands spreken, wij hebben extra personeel, wij hebben een uitgebreid leerlingvolgsysteem en mensen die adequaat omgaan met de problemen die daaruit blijken. Wat er precies werkt, is al lang bekend, maar dat kost een hoop geld. Gebruik dat geld d r dan voor!’

Paul Leseman, houdt zich als psycholoog aan de Universiteit van Amsterdam onder andere bezig met onderzoek naar kinderen uit achter standswijken: ‘Ik vind dat je ook de Nederlandse achterstandskinderen niet moet vergeten in deze discussie. Nederlandse kinderen uit lage sociaal-economische gezinnen hebben ook grote achterstanden, hoewel die minder dramatisch zijn dan die van allochtone kinderen, één jaar tegenover twee jaar bij allochtone kinderen. Het is van belang dat ook deze Nederlandse kinderen wat extra’s meekrijgen om goed mee te kunnen komen in het onderwijs. En het is een misvatting dat zulke kinderen alleen in de grote steden te vinden zijn, die vind je bijvoorbeeld ook in Oost-Nederland, in de voormalige veenkoloniën.

In de programma’s die er al zijn voor kinderen met een leerachterstand, vind je ook veel van zulke kinderen terug. Het gaat dus niet alleen om allochtone kinderen.’ N

P. van der Lee, student psychologie en freelance journaliste[/wpgpremiumcontent]