Zij geniet zichtbaar van de kunststukjes van de menselijke hersenen en het avontuur om die te ontsluiten. Het heeft haar over de gehele wereld gevoerd, als een moderne nomade van de wetenschap. Als Australische werkt zij voor het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek, een Duitse instelling in Nijmegen. Daarnaast woonde zij tijdens haar loopbaan in de Verenigde Staten en Engeland.

‘Toch zou ik niet willen zeggen dat de abstracte ideeënwereld van de wetenschap mijn enige thuis is. Minstens even belangrijk zijn de mensen die ik daarbij ontmoet. Een bekende Amerikaanse taalkundige, Victoria Fromkin, was als studente lid van de communistische partij ten tijde van de vervolgingen door senator McCarthy. Zij moest toen zelfs enige tijd onderduiken, maar de saamhorigheid onder de communisten vond zij zeer aangenaam. Zij had het gevoel dat zij lid was van een wereldwijde familie en overal waar zij kwam, kon zij terecht bij geestverwanten. In 1956 stapte zij echter uit de partij en ging zij studeren. Later vertelde ze mij dat ze een vergelijkbare gemeenschap heeft teruggevonden in de linguïstiek.

Het gevoel van een wereldwijde verwantschap heb ik ook heel sterk. Dankzij mijn werk heb ik overal vrienden, of het nu China, Finland of Amerika is. Overal ken ik mensen van wie ik weet dat ze geïnteresseerd zijn in dezelfde onderwerpen en dat zij de wereld op dezelfde manier bekijken. Zij hebben dezelfde doelen als ik en ik kan met ze praten. Mensen zijn ook veel belangrijker voor mij dan plaatsen.’

Opwindende wetenschap

Cutler begon haar opleiding in Tasmanië. ‘Ik had een lerares Duits die als enige op de hele school was gepromoveerd. Zij had filosofie gestudeerd in Wenen en dat vond ik fantastisch. Zij gunde ons een blik in een andere wereld en mede door haar ben ik Duits en psychologie gaan studeren.’

Het baantje dat zij na afloop van haar studie kreeg op de Duitse afdeling van de universiteit in Melbourne beviel echter matig. ‘Ik stond voor de klas. Ik was urenlang bezig met het corrigeren van taalfoutjes en dat vond ik ongelooflijk saai. Daarvoor had ik echter enkele maanden als assistent gewerkt in het laboratorium van de taalkundige Ken Forster. Hij was toen net in Amerika gepromoveerd en kwam iedere morgen het laboratorium binnen met de vraag wat ik van zijn nieuwste idee vond. Ik vond dat zo opwindend, echt het ideaal dat je voor ogen hebt als je met je studie begint. Later wilde ik bij hem promoveren, maar hij raadde mij aan naar Amerika te gaan. Ik zou daar veel gemakkelijker allerlei contacten kunnen leggen. In Amerika zijn er simpelweg meer wetenschappers en daarom worden daar de hoofdlijnen uitgezet. Ter plaatse krijg je gemakkelijker een goed overzicht van het onderzoeksveld. Je kunt overal ter wereld goed werk doen en een goede begeleiding krijgen, maar in Amerika is het gemakkelijker prestaties te leveren.’

Het promotieonderzoek bracht Cutler naar een vrijwel onontgonnen onderzoeksterrein. Zij probeerde te ontdekken wat zich van moment tot moment afspeelt in het hoofd van een luisteraar. ‘Wij maakten daarbij gebruik van metingen van de reactietijd. De aanname hierbij is dat langere reactietijden erop wijzen dat de informatieverwerking meer moeite kost. De proefpersonen krijgen bijvoorbeeld de opdracht om zo snel mogelijk op een knop te drukken als zij een ‘b’ horen. De reactietijden blijken onder meer afhankelijk te zijn van het woord dat aan de ‘b’ voorafgaat. Weinig voorkomende woorden leveren een belangrijke vertraging op. De ‘b’ in ‘het rode boek’ wordt veel sneller herkend dan in ‘het mauve boek’. Het kost kennelijk meer tijd om mauve in het geheugen op te zoeken. Of, zoals we het tegenwoordig zouden zeggen: de drempel voor het activeren van frequente woorden is lager.

Mijn eigen onderzoek uit die tijd had betrekking op de prosodie, zeg maar het zinsaccent. Ik liet proefpersonen luisteren naar zinnen als: -Het echtpaar maakte ruzie over een boek dat zij gelezen hadden” of -Het echtpaar maakte ruzie over een boek dat zij niet eens gelezen hadden.” In de eerste zin krijgt ‘boek’ de meeste nadruk en begint de stem daarvoor al een beetje aan te zwellen, maar bij de tweede zin ligt de nadruk op ‘dat zij niet eens gelezen hadden’. De proefpersonen kregen weer als opdracht bij de ‘b’ op een knopje te drukken. Zij doen dit veel sneller als het zinsaccent erop wijst dat een belangrijk woord aanstaande is. De luisteraar gebruikt de prosodie dus om direct tot de kernwoorden van de zin door te dringen. Zo blijkt wat een actief proces luisteren eigenlijk is: mensen gaan tegelijkertijd na wat woorden betekenen, hoe zij in verhouding tot elkaar staan en welke bedoeling de spreker precies heeft.’

Universalia in de taal

De snelle herkenning van woorden die in de zin een klemtoon krijgen, is niet de geschiedenis ingegaan als het Cutler-effect. ‘Dat vind ik ook niet zo erg. Als taalpsycholoog ben je altijd op zoek naar de universele kenmerken van het menselijke taalsysteem, terwijl juist de prosodie erg van taal tot taal verschilt. Als ik het voor het zeggen had, zou ik mijn naam willen verbinden aan een verschijnsel dat van centraal belang is voor de taalkunde.’

De hang naar universalia in de taal heeft te maken met het onbegrijpelijke verschijnsel dat ieder nieuw kind zich de moedertaal zo gemakkelijk eigen maakt. Cutler: ‘De taal is echt een van de grootste prestaties van de menselijke geest. Neem bijvoorbeeld een ingebedde zin als -Het speeltje dat ik op tafel had gelegd is verdwenen”. Hier zijn de zinnen -Ik heb het speeltje op tafel gelegd” en -Het speeltje is verdwenen”, samengevoegd tot één geheel. Dit is een zeer complexe operatie, maar geen enkel kind heeft scholing nodig om dit onder de knie te krijgen. De taalverwerving is echt een wonder en de enige plausibele verklaring is dat kinderen veel aangeboren taalvaardigheden hebben. We hebben met andere woorden een taalinstinct, zoals de Amerikaanse cognitiewetenschapper Steven Pinker het uitdrukte (zie ook Psychologie, maart 1998).’

De grote verscheidenheid aan menselijke talen is echter een probleem voor onderzoekers met deze opvatting. Want hoe kan het dat de hersenen, die in aanleg niet zijn toegerust voor een specifieke taal, toch zo gemakkelijk al die verschillende moedertalen leren? Cutler: ‘Dit probleem speelt in het bijzonder als het gaat om verschillende soorten klemtonen. Zo betekent in het Nederlands vóórkomen iets anders dan voorkómen en iemands vóórnaam kan heel voornáám zijn. Het Engels gebruikt deze woordklemtoon ook, maar bijvoorbeeld het Frans en Japans maken hier geen gebruik van. Zowel wat betreft het zinsaccent als de woordklemtoon is de variatie enorm.’

Het afwijkende gebruik van de woordklemtoon leidt ook tot een andere strategie van de luisteraar. Cutler: ‘We zijn hierop gestuit toen we probeerden een Frans experiment met Engelse luisteraars te herhalen. Als Franse luisteraars de opdracht krijgen zo snel mogelijk te reageren op de klank ‘pa’, dan gaat dit een stuk sneller als die samenvalt met een gehele lettergreep. De ‘pa’ in ‘pa-lace’ wordt dus sneller herkend dan de ‘pa’ in ‘pal-mier’ (palmboom). De conclusie van dit onderzoek was dat Franse luisteraars eerst de woordenstroom in lettergrepen opdelen en vervolgens pas verder verwerken.

Het herhalingsonderzoek met Engelse luisteraars wees echter niets op zo’n lettergreep-effect. De ‘pa’ wordt in ‘pa-lace’ (paleis) niet sneller herkend dan in ‘pal-pitate’ (kloppen). De lettergrepen zijn minder relevant voor Engelse luisteraars. Zij gebruiken eerder de woordklemtonen om de spraak in woorden op te delen. Hetzelfde geldt overigens voor Nederlanders.’

De poëzie verklaard

‘Het verschil tussen deze talen vind je ook terug in de poëzie. Bij een Frans gedicht zijn het aantal lettergrepen per regel voorgeschreven, maar in het Engels en het Nederlands moet je een aantal beats per regel hebben. Het taalritme is fundamenteel anders en een baby van enkele dagen oud blijkt al wel een onderscheid te kunnen maken tussen talen met afwijkende ritmes, maar niet tussen gelijksoortige talen die alleen andere woorden gebruiken. Het brein stelt zich al in de baarmoeder in op de moedertaal.

Deze aanpassing kan echter een belemmering vormen bij het aanleren van een vreemde taal. Voor een Nederlander is het relatief gemakkelijk om woorden in de Engelse spraak te isoleren, omdat hij automatisch op de klemtonen let. Wij kunnen de luisterstrategie echter niet aanpassen aan elke nieuwe taal en daarom vindt de Nederlander veel minder houvast in het Frans, waar de woordklemtoon ontbreekt. Je krijgt daardoor ten onrechte de indruk dat die Fransen zo snel praten.’

Cutler vertelt dat er geen talen bestaan die uit zichzelf moeilijker zijn om te leren, maar dat er extra problemen ontstaan als de gewoonten van de luisteraar slecht aansluiten bij de taal die hij moet leren. Cutler zegt dan ook dat zij geluk heeft gehad, omdat haar Engelse moedertaal een goede basis heeft gelegd om op latere leeftijd nog Nederlands te leren: ‘In mijn oratie heb ik de West-Germanen nog bedankt, omdat zowel het Nederlands als het Engels van hun taal afkomstig is. Hierdoor was de manier waarop ik talen waarneem al ingesteld op het Nederlands.

De verscheidenheid in taalritmes wordt groter, wanneer we het Japans in het beeld betrekken. Japanners delen de taal op in morae, wat nog kleinere eenheden zijn dan lettergrepen. Zo kan ‘Honda’ opgedeeld worden in ho-n-da. Een Japanner zal daardoor ook sneller de ‘n’ kunnen detecteren in ‘Honda’ dan bijvoorbeeld een Nederlander of een Fransman. De poëzie weerspiegelt dit verschil. Een haiku moet bijvoorbeeld niet uit zeventien lettergrepen, maar uit zeventien morae bestaan.’

Melluk om twaalef uur

De manier waarop accenten worden gelegd in de spraak, verschilt dus sterk van taal tot taal, maar volgens Cutler kan er toch een universeel kenmerk benoemd worden: het ritmegebruik. Op de een of andere manier zit het brein van kinderen zo in elkaar dat het veel belang hecht aan het taalritme en dat het zich kan aanpassen aan de eigenaardigheden van de moedertaal.

Nu lijkt deze omschrijving van het gemeenschappelijke element achter de verscheidenheid van taalritmes misschien vergezocht. De abstractheid van de overeenkomst lijkt in het niet te vallen bij de concreetheid van de verschillen. Met andere woorden: het taalspecifieke lijkt het universele te overvleugelen.

Cutler: ‘Het leuke is dat je soms concrete overeenkomsten vindt, waar je dat op grond van de specifieke taalverschillen helemaal niet zou verwachten. We kunnen de Nederlandse gewoonte om klinkers toe te voegen in woorden als melluk en twaalef als voorbeeld nemen. Wij hebben proefpersonen gevraagd woorden van één lettergreep om te keren. Een ‘kat’ wordt dan een ‘tak’. Bij woorden van twee lettergrepen moesten de lettergrepen zelf omgewisseld worden. De ‘le-pel’ verandert dan in ‘pel-le’. Hierbij blijkt dat ‘melluk’ nooit wordt veranderd in ‘uk-mel’, maar altijd in ‘klem’. Melk is voor de Nederlander dus echt een woord van één lettergreep. Maar waarom voegen wij daar dan die klinker tussen? Kennis van andere talen geeft het antwoord. Er bestaat een universele voorkeur voor een continue afwisseling van klinkers en medeklinkers en het Nederlands is uitzonderlijk omdat deze taal toestaat dat er een aantal medeklinkers achter elkaar staat binnen één woord. Toch blijken Nederlanders afwisseling soms te creëren door de reeks medeklinkers met een klinker te onderbreken. Nederlanders die ‘melluk’ zeggen, maken onbewust gebruik van deze universele voorkeur, hoewel de specifieke taal eigenlijk anders voorschrijft. Het blijkt bovendien nog effectief ook. ‘Melluk’ is beter te verstaan dan ‘melk’.’

Een vergelijkbaar voorbeeld trof Cutler aan tijdens onderzoek in Nederland en Zuid-Afrika. Zij hield zich hier opnieuw bezig met de woordherkenning in spraak: ‘Alle taalkundigen gaan ervan uit dat tijdens het luisteren de verschillende mogelijke woorden geactiveerd worden, maar dat door onderlinge concurrentie uitgemaakt wordt welk woord tot het bewustzijn doordringt. Als ik bijvoorbeeld spreek over ‘ingebed’, dan worden ook de woorden ‘gebed’ en ‘bed’ actief, maar omdat deze laatse woorden niet in de context passen, vallen ze bij de luisteraar af.

Deze afvalrace verloopt sneller, omdat ons brein beschikt over een handig mechanisme om in ieder geval een deel van de mogelijkheden te elimineren. Als ik het heb over een ‘strenge hoofdmeester’, valt de mogelijkheid ‘enge’ automatisch af, omdat ‘str’ nooit een Nederlands woord kan zijn. Ieder woord moet namelijk een klinker hebben.

Het onderzoek met de meting van reactietijden kan het bestaan van dit mechanisme aan het licht brengen. De luisteraar kan bijvoorbeeld de opdracht krijgen op een knop te drukken als hij het woord ‘lepel’ heeft herkend.

Dit gaat snel als de spreker het heeft over ‘selepel’, maar bij ‘blepel’ heeft hij twee keer zoveel tijd nodig. Hier zie je dat de mogelijkheid ‘lepel’ niet wordt onderdrukt na ‘se’, maar wel als de ‘b’ als restwoord overblijft. De reden hiervoor is dat ‘se’ in principe een Nederlands woord zou kunnen zijn, maar ‘b’ niet. Ook blijkt dat de lepel in ‘blepel’ vaker wordt gemist.’

Einde van een nomadenbestaan

‘Andere talen stellen andere eisen aan mogelijke woorden. Een Zuid-Afrikaanse taal als het Sesotho kent bijvoorbeeld geen woorden als ‘thee’, omdat alle woorden uit minimaal twee lettergrepen moeten bestaan. Op grond van de kenmerken van de taal zou je dus verwachten dat de mensen ter plaatse automatisch alle losse lettergrepen als mogelijkheid uitsluiten, maar dat is juist niet het geval. We hebben dat bijvoorbeeld getest met de reactietijden op ‘alafa’, ofwel voorschrijven. Als we de mogelijkheid ‘halafa’ voorleggen is de reactietijd weer lang en wordt ‘alafa’ regelmatig over het hoofd gezien. Maar zowel bij ‘roalafa’ als ‘hapoalafa’ is de reactie snel en bijna foutloos. De mogelijkheid van ‘ro’ als restwoord wordt niet automatisch onderdrukt, hoewel dit in het Sesotho nooit een woord kan zijn. Hier laat de luisteraar zich dus niet leiden door de kenmerken van zijn moedertaal, maar door de universele taalkennis.’

Cutler concludeert dat we alleen kunnen ontdekken hoe de hersenen gesproken taal verwerken, door veelvuldig verschillende talen te vergelijken. Zelf denkt zij dit de rest van haar loopbaan in Nijmegen te blijven doen. Zij is daar directeur van de sectie taalwaarneming. ‘Ik vind het een voorrecht dat ik veel van de wereld heb mogen zien, maar mijn nomadenbestaan is tot een einde gekomen. Het onderzoeksklimaat in Nijmegen is perfect en ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik mezelf nog doelen zal stellen die hier niet bereikbaar zijn. Alleen zal ik na mijn pensioen waarschijnlijk weer terugkeren naar Australië. Daar woon je toch wel erg lekker.’ Een blik op het druilerige bos waar Cutler vanuit haar werkkamer op uitkijkt en de gedachte aan het Australische klimaat, maken dit alleszins begrijpelijk.

‘Spraak is een onafgebroken stroom van klanken en de luisteraar moet die onderverdelen in woorden. Een Nederlander laat zich daarbij leiden door de klemtoon, maar een Fransman hakt alles in lettergrepen. Dergelijke verschillen in aanpak verklaren waarom wij altijd de indruk hebben dat buitenlanders zo snel praten.’ De taalkundige Anne Cutler toont de verborgen werelden achter zoiets alledaags als het luisteren naar gesproken taal.[/wpgpremiumcontent]