De studente psychologie Esther Rooijakkers laat echter aan de hand van twee gevalsbeschrijvingen zien dat herroepen herinneringen niet per definitie onjuist zijn. Een van deze gevallen betreft een vrouw die meerijdt met een man die net voorwaardelijk is vrijgelaten uit de gevangenis. De auto is gestolen en de man rijdt zo roekeloos dat hij over de kop slaat. De vrouw zit vast onder de brandende auto, maar als de man zichzelf heeft bevrijd gaat hij er als een haas vandoor zonder haar te helpen. De vrouw wordt uiteindelijk gered door twee toevallige voorbijgangers en in de rechtszaal vertelt zij het hele verhaal, dat door getuigen en de dader wordt bevestigd. Toch komt de vrouw acht maanden later terug bij de rechter om de zaak te heropenen. Volgens haar had zij indertijd gelogen, omdat ‘geen mens zoiets zou kunnen doen en niemand het zou kunnen verdragen om zo behandeld te worden’. Zij probeert een herinnering te herroepen, die door externe bronnen al lang tot waarheid is verheven.

(Directieve Therapie, vol. 17, pag. 156-161, 1997)