Evolutie: Fluisterende genen

De vrees dat manipulatie van onze genen kan leiden tot een nieuwe menselijke soort, is ongegrond. Het neurale netwerk dat ons gedrag aanstuurt, bestaat uit biljoenen verbindingen tussen neuronen en onze dertigduizend genen zijn eenvoudigweg in de minderheid. Ongerustheid over actuele ontwikkelingen in de culturele evolutie, is echter wel op zijn plaats.

Het lijkt weinig realistisch: een wereld met uitsluitend vredelievende, verantwoordelijke mensen, die allemaal opgewekt in de weer zijn hun maatschappelijk steentje bij te dragen. Toch wordt van tijd tot tijd vanuit wetenschappelijke hoek geopperd dat een dergelijke wereld niet onhaalbaar is en dat aan de menselijke soort best te sleutelen valt. Hoe men zich dat sleutelen voorstelt, hangt af van wat men als de belangrijkste determinant van het menselijk gedrag ziet: de biologische aanleg (nature) of de omgeving (nurture).

Het grote breinboek

Bestel nu het grote breinboek in onze webshop!

Optimisme over het verbeteren van de menselijke soort, is vooral voorbehouden aan mensen die in dit aloude nature-nurture debat een extreme positie innemen. Zo was aan het begin van de vorige eeuw de eugenetische beweging (voorstanders van het verbeteren van het menselijk ras) ervan overtuigd dat menselijk gedrag vrijwel uitsluitend door erfelijke factoren wordt bepaald. Niet alleen kenmerken als intelligentie en karakter zouden erfelijk zijn, maar ook alcoholisme, criminaliteit, prostitutie, niksen en zelfs armoede. Wanneer je nu maar stimuleert dat uitsluitend díe mensen zich voortplantten die geestelijk, lichamelijk en maatschappelijk ‘gezond’ zijn, zou je vanzelf een tamelijk ideale mensheid krijgen.

Aan het andere uiterste van het nature-nurture debat bevond zich de Amerikaanse psycholoog en grondlegger van het behaviorisme J.B.

Watson (1878-1958). Watson was ervan overtuigd dat leerervaringen een allesbepalende rol spelen bij het tot stand komen van menselijk gedrag en dat erfelijke factoren volstrekt irrelevant zijn. ‘Geef me een dozijn gezonde baby’s,’ schreef hij ooit, ‘en ik garandeer u dat ik er naar believen elk mens van maak dat men wil: een dokter, een advocaat, een koopman, ja zelfs een bedelaar en een dief, ongeacht zijn talenten, neigingen, bekwaamheden, mogelijkheden en het ras van zijn voorouders.’ Talenten en bekwaamheden waren volgens Watson uitsluitend afhankelijk van training en oefening. Wanneer je daarmee in de wieg beging, zou je deugdelijke mensen met levenslange garantie kunnen afleveren.

Wie beslist wat beter is?

De onbescheiden claims van zowel Watson als van de eugenetica hebben de mensheid weinig heil gebracht. Watsons grootspraak leidde vooral tot schrikbeelden, zoals beschreven in de roman Brave New World van Aldous Huxley, waarin murw geconditioneerde mensen onder een autoritair regime als automaten hun taken uitvoeren. De eugenetica raakte abrupt in diskrediet toen Hitler de theorie van de genetische rassenverbetering een macabere wending gaf.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef het nature-nurture debat tussen deze uitersten heen en weer slingeren. In de jaren zestig en zeventig kwam de nadruk – op het onverdraagzame af – op de omgevingsfactoren te liggen: wie in die jaren schizofreen was, mankeerde lichamelijk niets, maar had waarschijnlijk een akelige moeder. Wie op school niks presteerde, was niet dommer dan de rest, maar was kansarm en had stimuleringsprogramma’s nodig. Degenen die tegendraads volhielden dat erfelijke factoren toch ook een belangrijke rol speelden bij bijvoorbeeld criminaliteit en intelligentie, konden rekenen op hoon of zelfs bedreiging en excommunicatie.

In de afgelopen tien jaar is het tij weer gekeerd. Dankzij het rappe tempo waarmee moleculair-biologen sinds het begin van de jaren negentig het menselijk genoom (het geheel van alle genen) in kaart brengen, en dankzij de regelmatige melding van successen, zoals de vondst van een gen dat in verband zou staan met homoseksualiteit, groeide het vertrouwen in de biologie: eindelijk zou tot in detail duidelijk worden in welke mate genen en in welke mate omgevingsfactoren ons gedrag bepalen.

Tegelijkertijd groeide bij veel mensen een zekere bezorgdheid: wanneer duidelijk is welke genen tot maatschappelijk minder gewenst gedrag kunnen leiden, ligt het dan niet voor de hand dat men in die genen wil ingrijpen om betere mensen te maken? En hoe beslis je wat ‘beter’ is en vooral, wie beslist dat? Het zijn zorgen die volgens de Amerikaanse evolutiebioloog Paul Ehrlich, en volgens veel andere biologen, iedere grond missen.

Ehrlich, die als hoogleraar verbonden is aan de Stanford University, geeft in zijn recent verschenen boek Human natures; Genes Cultures, and the Human Prospect een zorgvuldig geschreven en verhelderend overzicht van de menselijke evolutie. Inzicht in deze evolutie ondersteunt naar zijn idee op geen enkele manier de veronderstelling dat menselijk gedrag rechtstreeks is terug te voeren op de invloed van bepaalde genen. Tot dusver is een dergelijk direct verband dan ook nog alleen maar aangetoond voor een paar ernstige erfelijke ziektes.

Daarmee wil Ehrlich het belang van genen echter niet bagatelliseren. Het menselijk genoom komt, dankzij een langdurige gemeenschappelijke biologische evolutie, voor zo’n 98 procent overeen met dat van chimpansees. Daarvan is uiteraard het nodige in het menselijk gedrag terug te vinden. Maar terwijl chimpansees zich overal ter wereld onafhankelijk van elkaar redelijk voorspelbaar gedragen – hun natuur volgen – kun je dit van mensen niet meer zeggen. Zij ontwikkelen allemaal een min of meer eigen natuur dankzij de ontwikkeling van een uitgebreid neuraal netwerk in de hersenen. Dit neurale netwerk, dat ons gedrag aanstuurt, bestaat uit zo’n honderd- tot duizendbiljoen verbindingen tussen neuronen. We hebben ongeveer dertigduizend genen en dat zijn er eenvoudigweg te weinig om al deze verbindingen, en dus al ons gedrag, aan te sturen, aldus Ehrlich. Wat de genen vooral doen, is reeksen mogelijkheden afbakenen. Maar ze doen dit niet dwingend. Zoals Ehrlich het zegt: ‘Genen geven niet op schreeuwende toon commando’s ten aanzien van ons gedrag. Hoogstens fluisteren ze suggesties.’ De culturele evolutie – dat wil zeggen alle niet-genetische informatie die we opdoen – brengt de rest van de verbindingen tot stand. Dat deze culturele evolutie een invloed op ons gedrag kan uitoefenen die de invloed van de genen overstemt, illustreert Ehrlich aan de hand van de moderne gezinsgrootte. Als er één gedragspatroon is waarvan je zeker kunt zijn dat die in het menselijk dna verankerd ligt, dan is het de drang zoveel mogelijk kinderen te krijgen. Zonder deze drang zou er van evolutie geen sprake zijn. Toch zijn er maar weinig mensen die aan dit genetisch gebod gehoor geven. Culturele factoren leiden ertoe het krijgen van kinderen uit te stellen, geen kinderen te nemen of in elk geval veel minder kinderen te nemen dan mensen kunnen. Ehrlich vindt het dan ook zinloos over ‘de’ menselijke natuur te spreken alsof het om een noodlot gaat. Agressiviteit zit net zo min onontkoombaar in ‘de’ menselijk natuur ingebakken als vredelievendheid.

Dat neemt niet weg dat sommige mensen buitensporig agressief kunnen zijn en dat deze agressiviteit een genetische basis kan hebben. Maar voorzover dergelijke genen tot nu toe gevonden zijn, geven ze doorgaans niet meer dan een verhoogde kans op agressie aan. Of de drager van een dergelijk gen er daadwerkelijk op los zal slaan, hangt af van de omgevingsfactoren, waartoe ook ongrijpbare zaken als hormonale veranderingen in de baarmoeder of de ligging van de foetus gerekend worden.

Valstrikken van de culturele evolutie

De bevindingen van Ehrlich en collega’s leiden niet tot duidelijke actie. Wat doe je bijvoorbeeld als blijkt dat een bepaalde genencombinatie de kans op schizofrenie verhoogt? De drager bij voorbaat in therapie sturen? Angstvallig opletten of er niks misgaat? Niet geboren laten worden? Daarbij: hoe groot moet de kans op schizofrenie zijn om tot actie over te gaan en hoe bepaal je die kans? Volgens Ehrlich is dat niet te bepalen. Niet alleen spelen zowel genetische als omgevingsfactoren een rol, deze factoren beïnvloeden elkaar ook nog tijdens de ontwikkeling van het neurale netwerk. Het trachten te ontrafelen van deze kluwen is naar zijn idee een kansloze onderneming.

De mensheid verbeteren door aan zijn genen te rommelen, lijkt Ehrlich dan ook een heilloze weg. Veel meer heil verwacht hij van het wijd verspreiden van kennis van zowel de biologische als de culturele evolutie, bijvoorbeeld via het onderwijs. Wanneer mensen zich bewust zijn van de valstrikken die ze met hun culturele evolutie uitzetten voor de eigen soort, zou dat op termijn kunnen leiden tot verantwoordelijker gedrag. Overbevolking, overconsumptie, het creëren van resistente bacteriën door onverantwoord met antibiotica om te springen, het verzieken van de ozonlaag, het uitroeien van ontelbare dier- en plantensoorten, de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen: het is allemaal het gevolg van een stuurloze culturele evolutie en de aanloop tot een wereldwijde ramp. Een veel bewustere culturele evolutie is volgens Ehrlich geboden en ook mogelijk wanneer mensen zich daar gezamenlijk toe zetten. Een gedegen kennis van die evolutie lijkt hem daartoe een belangrijke eerste stap.

Het vereist een groot optimisme om met Ehrlich te geloven dat de mensen ooit wereldwijd de handen ineen zullen slaan om het algemeen belang op lange termijn te laten prevaleren boven het tijdelijk eigenbelang. Als dat de enige weg is naar een verbeterde mensheid, ziet het ernaar uit dat we vooralsnog gewoon op de oude voet blijven doormodderen. n

• Paul R. Ehrlich: Human Natures; Genes, Cultures and the Human Prospect. Washington d.c.: Island Press/Shearwater Books, isbn 1 55963 779 x

auteur

Ranne Hovius

» profiel van Ranne Hovius

Dit vind je misschien ook interessant

Artikel

Een illusie rijker

De vrees dat manipulatie van onze genen kan leiden tot een nieuwe menselijke soort, is ongegrond. He...
Lees verder
Artikel

Evolutie: Fluisterende genen

De vrees dat manipulatie van onze genen kan leiden tot een nieuwe menselijke soort, is ongegrond. He...
Lees verder
Artikel

De 4 basispatronen prikkeltypes

De een werkt pas echt lekker met een muziekje op de achtergrond, de ander kan zich dan juist niet co...
Lees verder
Artikel

De 4 basispatronen prikkeltypes

De een werkt pas echt lekker met een muziekje op de achtergrond, de ander kan zich dan juist niet co...
Lees verder
Kort

Racisme: niet slim

Mensen met rechtse en racistische denkbeelden zijn emotioneel minder intelligent.
Lees verder
Artikel

Uit je schedeldak gaan

In Nature van een kleine twee maanden terug, stond een artikel van vier Californische neurochirurgen...
Lees verder
Advies

Kan je brein je hart beïnvloeden?

De vrees dat manipulatie van onze genen kan leiden tot een nieuwe menselijke soort, is ongegrond. He...
Lees verder
Artikel

Bram Buunk: ‘Wat is dat voor beest, die mens?’

Zijn werk gaat over onderwerpen waarmee iedereen te maken krijgt: seksuele aantrekkingskracht en rel...
Lees verder
Artikel

Aandacht

Hoe graag we ook televisiekijken met een half oog op de krant, uit hersenonderzoek blijkt dat ons br...
Lees verder
Interview

Leven met schizofrenie

Bart lijdt aan schizofrenie. Hij hoort stemmen en had een serie angstaanjagende psychoses. ‘Ik was...
Lees verder