Met z’n drieën zitten ze aan één kant van de enorme tafel, iets onderuitgezakt, de gezichten op nonchalant-afwachtend. Mick (15), Gwennos (13) en Nuno (13): drie stoere pubers in wijde broeken en oversized shirts. Het is laat op de zaterdagmiddag en ze hebben er al een heel programma op zitten, hier in het landelijk bureau van Humanitas. Elke twee maanden gaan ze naar Amsterdam voor een gespreksgroep met andere pubers zoals zij: kinderen van 12 tot en met 15 die vragen hebben bij hun geslachtsidentiteit. Meisjes dus die zich (meer) jongen voelen, en andersom.

‘Genderkinderen’ noemen begeleiders Bastiaan en Louise hen gemakshalve. De medische wereld heeft er een ander woord voor, die noemt hen ‘genderdysfoor’. Dat betekent letterlijk dat hun gender – hun sekse – ze dysfoor – somber – stemt. Maar ‘genderdysfoor’ bekt niet lekker.

Bovendien is ‘somber’ niet meteen de associatie die bij je opkomt als je de pubers in kwestie ziet. Tenminste, niet bij de drie die na afloop van de middag nog wel met een journaliste willen praten. Een journaliste bij de gespreksgroep zelf laten zitten was lastig – niet alle vijftien aanwezigen van vanmiddag hadden zich daar vrij bij gevoeld. Maar Mick, Gwennos en Nuno willen best vertellen wat ze hier doen en wat de gendergroep voor hen betekent. Ze stralen uit dat ze hun eigen identiteit al aardig hebben gevonden en dat ze de buitenwereld graag laten zien wie ze zijn. Bovendien, zegt Gwennos, levert een artikel als dit misschien meer kinderen op voor de gespreksgroep. Gretig: ‘Hoe meer, hoe beter!’

Want al stellen ze voor elke bijeenkomst een lijst op van onderwerpen die ze willen bespreken, de gespreksgroep is vooral gezellig, benadrukken ze alle drie. Ook buiten de bijeenkomsten om zien ze elkaar geregeld. ‘We zijn echte vrienden geworden,’ vertelt Mick, ‘we hebben veel lol met elkaar. Natuurlijk praten we ook over waar je tegenaan loopt als je van geslacht verandert, maar we doen toch vooral leuke dingen.’ ‘En als we elkaar niet zien, bellen of msn’en we,’ voegt Nuno toe. ‘Toen ik onlangs gepest werd, heb ik meteen met Gwennos gebeld. Dat hielp.’

Gevoel van herkenning

De pubergroep draait nu bijna twee jaar. ‘We hadden hier al tien jaar een contactgroep voor ouders van genderdysfore kinderen. Op een gegeven moment gaven zij aan dat hun kinderen zelf ook wel zo’n groep wilden,’ vertelt begeleider Bastiaan Franse, projectmedewerker kinderen & jongeren bij Transvisie, het centrum voor genderdiversiteit van Humanitas. ‘Deze pubers gingen bijna allemaal al naar het Genderteam van het vu Medisch Centrum (wereldwijd hét team op dit gebied; red.). Daar werden ze medisch en psychologisch goed begeleid, maar voor de sociale kant was minder aandacht.’

Die is er hier dus des te meer. Hoe vertel je in je klas dat je op school als jongen rondloopt, maar lichamelijk nog altijd een meisje bent? Wanneer zeg je tegen iemand op wie je verliefd bent dat je geen ‘gewone’ jongen of meisje bent? Hoe reageer je als anderen je voor homo of lesbo uitmaken, terwijl je dat voor je eigen gevoel niet bent? Allemaal vragen waar een puber die van geslacht wil veranderen, tegenaan loopt.

Er worden hier geregeld praktische adviezen uitgewisseld, zegt Bastiaan, ‘maar het belangrijkste is toch het onderlinge gevoel van herkenning.’ Mick beaamt dat. ‘We weten van elkaar wat we hebben, we hoeven hier weinig uit te leggen, dat is gewoon heel fijn.’ Hij voegt eraan toe dat hij erg stil was voordat hij bij de gespreksgroep kwam. ‘Ik werd niet gepest of zo, maar ik ging ook niet echt met mijn klasgenoten om. Sinds ik hier ben, vind ik het makkelijker om over mezelf te vertellen. Ik weet nu dat ik niet de enige ben die het gevoel heeft in het verkeerde lichaam geboren te zijn.’

Als de media aandacht besteden aan kinderen die dat gevoel hebben, gaat het vaak over jongens die meisjes willen zijn. Er zijn dan ook meer genderdysfore jongens dan meisjes. Maar in de pubergroep van Humanitas is het andersom, daar overheersen momenteel de meisjes die zich jongen voelen.

Zoals het trio hier aan tafel. Alledrie staan ze bij de burgerlijke stand nog als vrouw geregistreerd. Pas als hun baarmoeder operatief is verwijderd, kunnen ze officieel van geslacht veranderen. Maar inmiddels lopen ze overal als jongen rond en laten ze zich met een jongensnaam aanspreken. Nuno en Gwennos al sinds de brugklas; Gwennos kon zich zelfs als jongen inschrijven op zijn school. Een hele overwinning, want op de basisschool vond hij geen gehoor voor zijn verhaal. Verontwaardigd: ‘Ik ging in groep 4 met gym bij de jongens staan, want ik wás geen meisje. Moest ik voor straf naar de directeur!’

Ook Nuno wist al vroeg dat hij een jongen was. ‘Als mijn moeder jurkjes voor me kocht, verstopte ik ze,’ vertelt hij. ‘En ik wilde altijd kort haar. Maar dat mocht pas op mijn negende.’ Hij strijkt door zijn fier rechtopstaande kuif en lacht zijn beugel bloot.

Mick had pas halverwege de tweede klas van de middelbare school zijn ‘coming-out’. Hij hield als kind evenmin van jurkjes en poppen, zegt hij, ‘maar ik heb lang gedacht dat ik gewoon een jongensachtig meisje was. Tot ik in groep 8 op tv een documentaire zag over een meisje in een jongenslichaam. Toen dacht ik: dat heb ik ook, alleen andersom.’ Maar toen hij dat aan zijn moeder vertelde, nam ze dat aanvankelijk niet serieus. ‘Ik kwam ermee aanzetten in de periode dat mijn gemengde basketbalteam werd opgesplitst in een jongens- en een meisjesploeg. Ze dacht dat ik het zei omdat ik bij mijn vriendjes wilde blijven.’

Pas toen hij er op de middelbare school met de zorgcoördinator over sprak, ging het balletje rollen. De zorgcoördinator zocht contact met zijn ouders, die gingen met hem naar het Sophia Kinderziekenhuis, en een paar maanden later kon hij terecht bij het vumc. Sinds anderhalf jaar heeft hij puberteitsremmers. Grijnzend: ‘Daar krijg je dus opvliegers van.’

Baardgroei en meer spieren

Hoewel Gwennos en Nuno eerder dan Mick naar het vumc gingen, krijgen zij pas sinds een paar maanden puberteitsremmers. Het genderteam van de vu wil altijd eerst afwachten hoe de kinderen reageren op het begin van de puberteit. De ervaring heeft geleerd dat de hormonenstorm die dan door hun lijf giert, ze soms nog op andere gedachten brengt. Pas als de wens om van geslacht te veranderen stabiel blijkt of zelfs toeneemt, komen ze in aanmerking voor de maandelijkse hormooninjecties.

Met hun keuze voor puberteitsremmers hebben de drie nog geen definitieve stappen gezet. Zodra ze ermee stoppen, zet de puberteit alsnog door. De injecties voorkomen alleen de ontwikkeling van de vrouwelijke secundaire geslachtskenmerken die hen zouden ‘verraden’: zo blijven hun borsten klein en hun heupen smal. Genderdysfore kinderen die als jongen werden geboren, hebben er nog meer bij te winnen. Hun stem blijft hoog, hun huid zachter en hun schouders smaller. Allemaal dingen die het hun later vergemakkelijken om ook uiterlijk een overtuigende representant te zijn van de sekse van hun voorkeur.

Pas op hun zestiende mogen genderkinderen definitieve stappen zetten. De kinderen die dan echt zeker weten dat ze een geslachtsverandering willen, kunnen vanaf dan cross-sex-hormonen krijgen. Voor de jongens hier aan tafel betekent het dat ze dan baardgroei, een lagere stem en meer spiermassa zullen krijgen. Twee jaar later zijn ze voor de wet oud genoeg om desgewenst de laatste horde te nemen: de reeks van operaties die medisch gezien hun geslachtsverandering definitief zal maken.

Man met vagina

Mick is van de drie de eerste die straks onder het mes mag. Zakelijk somt hij de volgorde op: eerst de borsten eraf, dan de baarmoeder eruit en tot slot de constructie van een penis. Weet hij zeker dat hij al die stappen echt zal zetten? ‘Natuurlijk,’ antwoordt hij ietwat verbaasd. Ook de anderen knikken overtuigd: hoe eerder, hoe liever.

Begeleiders Bastiaan en Louise denken daar iets genuanceerder over. Er is weliswaar weinig hard cijfermateriaal beschikbaar over genderdysfore kinderen, maar het lijkt erop dat uiteindelijk nog niet eenderde van degenen die zich bij het vu-team melden, begint aan definitieve geslachtsverandering. Bij bijna de helft lijkt de genderdysforie in de puberteit geheel te verdwijnen. Wel blijkt het grootste deel van deze ‘afhakers’ uiteindelijk homo- of biseksueel.

Bij Transvisie bestaat wel het idee dat onder de pubers die geregeld naar deze gespreksgroepen komen, zelden afhakers zitten. ‘Als ze blijven komen, is het doorgaans ook wel duidelijk “hun verhaal”,’ zegt Bastiaan. Maar zelfs dan hoef je als gender­dysfoor volgens hem niet per se alle mogelijke operaties te ondergaan. Zelf werd hij 35 jaar geleden als meisje geboren. ‘Ik leef nu als man, ik slik mannelijke hormonen, maar ik heb nog steeds mijn vagina,’ vertelt hij. ‘Wat mij betreft kan je gender-identiteit best ergens in het midden liggen. Ik kan mij volledig man voelen zonder grote penis. Dat gooi ik hier bewust af en toe in de groep, ik vind het belangrijk dat de kinderen die mogelijkheid ook zien.’ Maar, vervolgt hij meteen, de meesten willen juist wél een duidelijke keuze maken. ‘Die voelen: ik ben een man, of ik ben een vrouw, en ik wil het lichaam dat daarbij hoort.’

Al beseffen ze natuurlijk best dat de keuze die ze maken de nodige gevolgen heeft. Bijvoorbeeld dat je nooit kinderen zult kunnen krijgen. Daar hebben ze het vanmiddag lang over gehad, vertellen de drie. Maar Mick moet er echt niet aan dénken zwanger te zijn, zegt hij. En Gwennos en Nuno schudden veelbetekenend mee. Nee! Dan maar adoptie.

Verstopte borsten

Waar ze het verder over gehad hebben, vanmiddag? Hesjes en packy’s, antwoorden de drie. Pardon? Gelach. Hesjes en packy’s, dé items voor jongens zoals zij. Want wie als meisje geboren is, begint op een gegeven moment borsten te krijgen. En al krijgt hij kort daarop puberteitsremmers, dat wat er zit, gaat natuurlijk niet meer weg. Dus dragen ze alle drie onder hun wijde bovenkleren strakke hesjes. Een paar jongens in de groep hebben ook al een packy, een penisprothese. Onder wie een van de drie hier aan tafel. Maar, zegt die, ‘dát hoeft niet iedereen te weten.’

Vanmiddag was er een jongen die die gêne niet had. Hij heeft voor de hele groep laten zien hoe zijn packy was bevestigd. Iedereen wil immers weten of zo’n ding niet uit je broek kan vallen. Helemaal safe, liet de jongen zien. Stoer van hem, vinden de drie, want het is toch iets anders om in de groep je broek open te knopen dan om je kipfiletjes even te laten zien. Kipfiletjes, ja – zo heten de dingen waarmee de meiden hun behaatjes vullen. ‘Ze gaan hier geregeld over tafel,’ vertelt Louise. ‘Zeker als het zomer wordt en nieuwe meisjes willen weten hoe je je jurk opvult.’

Want de zomer is een lastig seizoen voor genderdysfore pubers. Hoe schaarser de kleren, hoe duidelijker de niet-gewenste geslachtskenmerken. ‘Al kun je in de zomer wél makkelijker zwemmen,’ zegt Gwennos. ‘Op het strand kun je gewoon in een wijd surfshirt het water in, in een binnenbad doe je dat niet.’

Behalve dan wanneer je een binnenbad voor jezelf hebt, zeggen ze, en ze kijken Louise verlangend aan. Zij heeft in de gehandicaptenzorg gewerkt en kon twee keer regelen dat de pubers een instellingsbad voor zich alleen hadden. Geweldig was dat, iedereen droeg de outfit die hem of haar het best beviel. ‘Op zulke momenten gaan ze helemaal los,’ zegt Bastiaan. ‘Wanneer gaan we weer?’, vragen de jongens.[/wpgpremiumcontent]