Zieke mensen, vermoeide mensen, lammen en blinden: wanneer de medische wetenschap niets meer voor hen kan uitrichten, komen ze gemakkelijk in de verleiding hun hoop te vestigen op minder wetenschappelijke praktijken. Antroposofische artsen varen daar wel bij, maar ook handopleggers, spiritisten en eenlingen als Jomanda. Veel van deze genezers worden door het medisch establishment gezien als tamelijk louche charlatans, waar niet streng genoeg tegen kan worden opgetreden. Voor hun patiënten blijven ze echter vaak aantrekkelijk tot ze aantoonbaar mensen de dood injagen.

Dat was een paar eeuwen geleden niet anders. In de onlangs in het Nederlands vertaalde roman De vijfde winter van de magnetiseur beschrijft de Zweedse auteur Per Olov Enquist de tijdelijke populariteit van de bizarre praktijk van Friedrich Meisner, een achttiende eeuwse genezer uit Duitsland. Net als Jomanda genas hij mensen met hele groepen tegelijk. ‘Geleidelijk aan waren ze bij hem gekomen’, zo schrijft Enquist over deze groepsgenezingen, ‘soms wel dertig, veertig mensen, verzameld om de twee baquets. Vele avonden had hij het gevoel dat alles een succes was. Het licht: het gedempte schijnsel van een brandend haardvuur in een hoek. Dan de verwachtingsvolle stilte. De vrouwen die hem voortdurend met hun blik volgden. Hij leidde hun ogen naar de stevige houten bak met de flessen en het ijzervijlsel en ten slotte kreeg hij de stilte die hij wenste. Daar zaten ze dan met hun blik vastgenageld op het door hem gekozen punt en hij liep met zijn glazen staaf rond, raakte hen aan.’

De mensen die hij met zijn glazen staaf of met zijn vinger aanraakte, gingen trillen, vielen flauw, raakten in trance of kregen een hysterische crisis. Allemaal voelden ze dat hun genezing niet lang kon uitblijven.

Hemellichamen en magnetisme

Friedrich Meisner heeft nooit bestaan. Wel heeft Enquist voor zijn schepping een groot historisch voorbeeld gehad: biografische details, de gave van het magnetiseren en de aard van de groepsgenezingen plukte hij uit de levensbeschrijving van Franz Anton Mesmer, een Duitse arts die leefde van 1734 tot 1815. Enquist geeft aan zijn wonderdokter een eigen draai, een eigen geschiedenis, maar maakt tegelijkertijd nieuwsgierig naar de arts op wie hij zijn verhaal baseerde.

Wie was deze Mesmer, die tijdens zijn leven afwisselend werd verguisd en op handen gedragen, aan het hof werd ontvangen en de stad uitgejaagd?

Was hij een charlatan en een vrouwenverleider? Was hij een goedbedoelende maar niet zo handige man met een missie? Had hij een gave waarop zieke mensen toevallig goed reageerden? Of was hij een groot wetenschapper die een revolutionaire medische ontdekking had gedaan? Het is allemaal van hem gezegd, en wellicht ook allemaal een beetje waar, maar zelf zou hij zonder meer alleen het laatste hebben beaamd.

Wie Mesmer was, is niet meer in detail na te gaan, omdat weinig gegevens over zijn leven bewaard zijn gebleven. Zeker is dat hij, ondanks het feit dat hij de zoon van een eenvoudige houtvester was, medicijnen studeerde en een rijke, adellijke weduwe trouwde. Hij vestigde zich als vermogend arts en beschermer van de kunsten op een landgoed in Wenen, waar hij niet alleen zijn patiënten ontving, maar ook musici als Mozart, Haydn en Gluck.

Over de ontdekking die zijn leven veranderde, struikelde Mesmer op veertigjarige leeftijd min of meer bij toeval. Tijdens zijn studie was hij ervan overtuigd geraakt dat het verloop van ziektes verband hield met de stand van de hemellichamen, op een vergelijkbare wijze als dat bij eb en vloed het geval is. Toen hij een jonge vrouw in zijn spreekkamer kreeg met een waslijst aan medische klachten, besloot hij haar dan ook met magneten te behandelen, in navolging van wat hij over Engelse artsen had gelezen. Zo zou hij een kunstmatige getijdenwisseling in haar lichaam op gang brengen en zou de natuurlijke orde zich kunnen herstellen. Wat hij echter ontdekte, was dat de rap genezende patiënte niet zozeer op de magneten reageerde, als wel op het strijken van zijn handen. Kennelijk, zo concludeerde Mesmer, beschikte hij zelf over een magnetische kracht. Hij noemde deze kracht het dierlijk magnetisme en ontwierp een theorie om de werking ervan te verklaren.

Groepsgenezing rond een houten vat

Centraal in Mesmers theorie stond het fluïdum: een uiterst fijne, niet waarneembare stof, waarvan alles doordrongen was en die hemellichamen, aarde en mensen met elkaar verbond.

Wanneer dit fluïdum in het lichaam vrijelijk stroomde, was er niks aan de hand. Stokte de stroming daarentegen door obstructies, dan ontstonden ziektes. De ongehinderde stroming kon dan weer op gang worden gebracht door iemand die behept was met een overvloed aan fluïdum, zoals dat bij Mesmer het geval was.

Zijn behandeling, die hij magnetiseren noemde, hield in dat hij tegenover de zieke ging zitten, de knieën rakend, en met zijn handen strijkende bewegingen maakte over het lichaam van de patiënt en ze liet rusten op plekken waar de ziekte gelokaliseerd leek te zijn. De patiënt werd daarbij strak aangekeken, omdat een goed contact een voorwaarde was voor genezing. Mesmer stelde regels op voor de juiste wijze van strijken. Hij stelde ook regels op voor de wijze waarop glas, water en bomen gemagnetiseerd moesten worden, zodat zij op hun beurt konden worden ingezet om patiënten te genezen. En om zijn ontdekking wetenschappelijk te schragen, stelde hij talloze stellingen en geschriften op, die echter alle met elkaar niet konden verhullen dat zijn hele theorie nogal duister en onbewijsbaar was. Hoewel hij er zelf van overtuigd was dat hij – kind van de Verlichting – een belangrijke bijdrage leverde aan de natuurwetenschappelijke ontdekkingen van zijn tijd, waren zijn vakbroeders daar tamelijk cynisch over.

Het weerhield de in meerderheid vrouwelijke, aristocratische patiënten er niet van zijn spreekkamer te overspoelen. Zolang er nog mensen genezen naar buiten kwamen, wilde iedereen de wondere werking van Mesmers handen aan den lijve ondervinden.

Totdat groeiende argwaan ten slotte aan Mesmers stijgende roem in Wenen een abrupt einde maakte. Wat er precies is gebeurd, valt niet meer te achterhalen. Maar de directe aanleiding voor Mesmers neergang was de woedende reactie van de ouders van een mooie, blinde pianiste die door hem behandeld werd. Hardnekkige roddels kwamen op gang: was de door haar gemelde genezing – die door artsen werd ontkend – niet vooral een kwestie van verbeelding? Ging het wel om magnetiseren? Of ging het simpelweg om erotiek?

Mesmer verliet halsoverkop Wenen, liet daarbij zijn vrouw achter, en zocht zijn toevlucht in Parijs. In het voor nieuwigheden gevoelige Parijs bleek zijn faam hem vooruitgesneld te zijn en stroomden de patiënten opnieuw toe. Dit keer in zulke grote aantallen dat Mesmer zijn tijdrovende individuele therapie aanvulde met groepsgenezingen. Hij ontwierp hiertoe zijn baquet: een groot, afgesloten houten vat, gevuld met flessen gemagnetiseerd water, gebroken glas en ijzervijlsel. Uit het vat, waar ruim twintig mensen omheen konden zitten, staken aan alle kanten ijzeren staven die tegen de zieke lichaamsdelen konden worden gestreken. De wanden van de zaal waarin de baquet stond, waren bedekt met spiegels om de magnetische werking te weerkaatsen, het licht was gedempt en Mesmer zwierf rond in zijn paarse gewaad, om hier en daar met zijn aanraking genezing te bevorderen.

Pamflettenoorlog

Was Mesmer tevreden geweest met zijn positie als mysterieuze wonderdokter, dan had hij welvarend en in rust zijn dagen kunnen slijten. Maar hij wilde erkenning. Zijn genezingen waren immers bewijs genoeg voor de rechtsgeldigheid van zijn theorie. Waarom oogstte zijn uitspraak ‘Er is maar één ziekte, en er is maar één geneeswijze’ dan niet wat meer bijval van het medisch establishment?

Alleen stond Mesmer zeker niet. Hij had talloze leerlingen, waaronder ook veel artsen, die zijn leer over heel Europa verspreidden. De voorstanders en de tegenstanders van het dierlijk magnetisme namen daarmee in aantal toe en kwamen vaker en grimmiger tegenover elkaar te staan. Uiteindelijk leidde de pamflettenoorlog die tussen hen op gang kwam tot de instelling van een koninklijke onderzoekscommissie, met als taak te onderzoeken of dierlijk magnetisme werkelijk iets was waar rekening mee moest worden gehouden. De resultaten van de experimenten van deze commissie spraken klare taal. Zo werd een twaalfjarige, zieke jongen gevraagd een aantal bomen te omarmen waarvan er een door een leerling van Mesmer gemagnetiseerd was. En zowaar, bij de vierde boom genas de jongen. Maar op dat moment was hij nog helemaal niet in de buurt geweest van de gemagnetiseerde boom. Een zieke vrouw kreeg water te drinken, waarvan ze ten onrechte dacht dat het gemagnetiseerd was. Ook zij genas. De commissieleden lieten zich magnetiseren en letten goed op of ze het fluïdum voelden stromen of een verandering opmerkten. Ze voelden niks. En zo stapelden de ontkrachtingen zich op. Onnodig te zeggen dat Mesmer, noch zijn fervente aanhangers, onder de indruk waren van de onderzoeksresultaten. Maar Mesmer moet het geruzie wel zat zijn geworden. Hij verliet Parijs, reisde nog jaren door Europa, en keerde uiteindelijk terug naar zijn Duitse geboortegrond, waar hij alleen nog buren en vrienden van hun kwalen genas.

Verbitterd en teleurgesteld

Een wonderdokter die met zijn krachtige, innemende persoonlijkheid en eigenaardige overtuigingskracht mensen kon vervullen van hoop en enthousiasme: zo zijn er in de geschiedenis wel meer geweest. Waardoor was Mesmer dan zo bijzonder dat zijn naam in de Engelse taal als het werkwoord to mesmerize is blijven voortleven?

In de betekenis van het woord – hypnotiseren – ligt tegelijk de verklaring. De Markies de Puységur, een leerling van Mesmer, ontdekte dat de trance-achtige toestand van de gemagnetiseerde patiënten in feite een veranderde bewustzijnstoestand was: een toestand waarin mensen uiterst gevoelig zijn voor suggesties en dingen over zichzelf kunnen vertellen, waarvan ze in hun normale doen geen weet hebben. Een toestand, kortom, die tegenwoordig met ‘hypnotische slaap’ wordt aangeduid. Langs het werk van deze leerling ontwikkelden Mesmers ideeën zich tot een belangrijke stap op weg naar de ontdekking van het onderbewuste. In geschiedschrijvingen van de moderne psychiatrie ontbreekt Mesmer dan ook zelden. Maar dat zijn naam in geen enkel medisch handboek terug te vinden is, zou hem verbijsterd hebben. Het is om die reden dat Mesmer wel is vergeleken met Columbus: beiden ontdekten een nieuwe wereld, beiden bleven tot het einde van hun leven in het ongewisse over de ware aard van hun ontdekking, en beiden stierven verbitterd en teleurgesteld over de wijze waarop hun ontdekking door hun tijdgenoten was gewaardeerd. n

Dilemma’s van alle tijden

Per Olov Enquist beschrijft in zijn roman De vijfde winter van de magnetiseur de uiteindelijke neergang van de wonderdokter Friedrich Meisner. Het leven van Meisner raakt op veel punten het leven Franz Anton Mesmer, een arts die in de achttiende eeuw het magnetiseren ontdekte. Enquist heeft echter geen biografie willen schrijven, maar een roman over de dilemma’s die altijd weer rond wonderdokters opdoemen: waar ligt de grens tussen goedbedoelde onzin en bedrog? Geloven wonderdokters in hun eigen geneeswijze? In hoeverre wordt bedrog in de hand gewerkt en instandgehouden door mensen die graag bedrogen willen worden en graag willen geloven in het wonder? En ten slotte: hoe lastig kan de weelde te dragen zijn wanneer je als genezer razend populair bent en bejubeld wordt?

Deze dilemma’s zijn van alle tijden en de levens van wonderdokters zijn dan ook vrijwel altijd levens van pieken en dalen. Zoals Enquist over zijn verslag van Meisners vijfde winter opmerkt: ‘Het is als een golf die voortdurend zijn oude vorm, die vastligt en permanent is, weer aanneemt. Dit golfdal begint in de late zomer van 1793 aan zijn klim. Maar het had net zo goed in 1932 kunnen plaatsvinden.’

• De vijfde winter van de magnetiseur, Per Olov Enquist

Amsterdam: Ambo/Anthos, isbn 9026317492, € 22,50[/wpgpremiumcontent]