Dubbelgevouwen van ellende was ik die ochtend binnengestrompeld op de spoedeisende hulp. Een relatief begrip, leerde ik al snel: het zou nog uren duren voordat ik uiteindelijk onder de ronde blauwe lampen van de OK werd gereden en verlost van mijn rebellerende stukje darm.
Maar het was geen verspilde tijd, want zo’n ziekenhuis geeft je in rap tempo een bijscholingscursus in dankbaarheid. In de eerste plaats omdat het er vol ligt met mensen die er een stuk slechter aan toe zijn dan jijzelf. Het begon al bij de intake: terwijl ik lag te wachten op een echoscopist, kreeg de man links achter het gordijntje te horen dat hij zojuist een hartinfarct had gehad. Op de verpleegafdeling deelde ik een kamer met een dakwerker die na een lelijke val enkel nog kon kreunen en een kettingrokende motorrijder wiens been was afgezet na een akelige complicatie, overgehouden aan een medische fout. Ik voelde me in één klap al een stuk gezonder, zelfs met het ontstoken darmpje er nog in.
En dan heb ik het nog niet eens over die hele stoet aardige, bekwame verpleegkundigen, co-assistenten, anesthesisten en chirurgen die in de loop van zo’n etmaal frisgewassen en goedgemutst aan je voorbijtrekt, waardoor je je weer eens realiseert wat een geluk je toch hebt als je juist in dit land van een onderdeel afgeholpen mag worden.

De kracht van dankbaarheid

Het schiet er maar al te vaak bij in: gewoon even ‘dankjewel’ zeggen. Drie Psychologie Magazine-...

Lees verder

Natuurlijk hoef je daarvoor niet naar een ziekenhuis. Elke doodgewone dag zit vol met dingen waar je dankbaar voor zou kunnen zijn, als je ze maar niet zo makkelijk over het hoofd zag. Dat je een dak boven je hoofd hebt, iemand om ’s morgens aan te kijken boven je toastje met jam, een warm bed om aan het einde van de dag weer in te rollen. Dat je kinderen hebt om achteraan te jagen, een baas om over te mopperen, dat er afwas is omdat er eten was. Alleen: we beseffen dat pas als we het zónder moeten stellen.
Een week nadat ik het ziekenhuis uit was gerold in een karretje, knetterstoned van de morfine en te slap om zelf in bed te klimmen, stond ik op zolder met een grote grijns de was op te hangen. Intens tevreden omdat ik dat alweer kon, en met meer plezier dan ik ooit eerder had gehad bij het sorteren van de enorme berg natte grijze sokken in de wasmand. Echt: af en toe een ongelukje bij al ons geluk, daar knapt een mens van op.