Daarna toonde ze wat er gebeurt als je iets uit alle macht wilt vasthouden. Haar hand balde zich tot een vuist. Spanning trok in haar knokkels. Hoe harder ze kneep, hoe sneller het zand haar ontglipte. Alsof het angstig van haar wegvluchtte. Zo simpel. Zo logisch. Toch moest ik er later die dag van huilen. Was dit wat ik fout had gedaan in mijn laatste relatie? Had ik te veel gewild? Te hard geknepen? Wanneer, dacht ik, gaat verlangen over in dwang? En wordt liefde dan een vorm van geweld?

Inge Schilperoord: ‘Ben ik wel zo anders dan de mensen die ik behandel in de gevangenis?’

Waarom gaat de een het foute pad op en de ander niet? Deze vraag fascineert forensisch psycholoog In...

Lees verder

Soms is dat onmiskenbaar zo. Zoals bij al die mensen die ik onderzocht in de gevangenis, die uit angst voor verlies van hun partner zo hard knepen dat ze hem of haar verstikten. Soms letterlijk. Opeens waren ze nabestaande en verdachte ineen.
Tijdens een psychologisch of psychiatrisch onderzoek voor de rechtbank wil iemand zich van de beste kant laten zien. Dus heeft iedereen altijd spijt. Ook de partnerdoders. Foto’s van hun dode geliefde versieren de wanden van hun cel, ze huilen hete tranen van gemis. Aan ons de taak om de krokodillentranen te onderscheiden van de echte. Daar ontwikkel je een soort inwendige seismograaf voor. Als je aandachtig luistert, en kijkt, begint er bij echt verdriet toch iets mee te trillen in jezelf.

Jaren geleden sprak ik met een man die in een angstige impuls zijn vriendin had neergestoken. Lichte, grijze ogen had hij, en een klein gedrongen lichaam. Aan zijn celwand hingen kaarten en foto’s. Maar niets van haar. En in elk gesprek probeerde hij het te vermijden over haar te praten. Tot dat niet langer lukte. Met zijn blik gericht op de grond sprak hij over hoe mooi ze was geweest. ‘Te goed voor zo’n domme gast als ik.’ Langzaam, vertelde hij, verloor hij zichzelf in een groeiende paniek haar kwijt te raken. ‘Ik ging haar controleren, wachtte in de auto voor haar flat, checkte stiekem apps.’ Zo bewerkstelligde hij wat hij uit alle macht wilde voorkomen: hij joeg haar weg.

Op de fatale avond had hij onmiddellijk 112 gebeld. Maar tegen de tijd dat de ambulance en politie arriveerden, was ze al dood. Met opgetrokken benen lag hij naast haar op de grond tegen haar aan, met zijn armen haar borst omklemmend. Terwijl hij erover vertelde, schokte zijn lichaam hevig. Zijn huilkrampen waren voelbaar. Na een tijdje hief hij zijn hoofd naar mij op en keek hij me verward aan. ‘Hoe kan dit nou?’ vroeg hij door zijn tranen heen. ‘Begrijp jij dit? Wat heb ik gedaan? Het was toch liefde, wat ik voelde?’