Ik zie het wel voor me: witte muren, weinig meubels. Een paar planten. Ik heb een beeld van een lichte ruimte, met een bed met witte lakens en een bureau dat leeg blijft. Rust en orde.

Beleef je huis met je zintuigen

We brengen meer tijd binnenshuis door dan ooit. Hoe blijft dat leuk? Heel eenvoudig: ga met je zintu...

Lees verder

‘Wit? Ik dacht eigenlijk aan geel,’ zegt mijn vriend. En dan niet één muur, dat vindt hij truttig. ‘Helemáál.’ Hij wijst aan welke kleur hij bedoelt: fel mosterdgeel. Met een paar hele grote posters in andere kleuren, voor de afwisseling. Hij wil een beetje sjeu; het is hier in de bossen al kalm genoeg.

Tja. Wat vind je mooi, en waarom?

Volgens de Britse filosoof Alain de Botton is smaak een kwestie van psychologie. In The architecture of happiness stelt hij dat onze voorkeuren qua inrichting een uitdrukking zijn van een persoonlijk ideaalbeeld. Iedereen heeft kanten van zichzelf die ze liever of minder graag zien.

Onbewust zoeken we naar een decor dat de eigenschappen ondersteunt die we in onszelf het meest waarderen – maar die we niet altijd kunnen opbrengen. De inrichting van je huis is een psychologische ‘mal’, een soort corrigerend ondergoed voor je ego.

Dus: wie zijn ideale zelf vooral graag ziet als succesvol, feestelijk en extravagant, zal zich willen omringen met bladgoud, brokaat en manshoge tijgers. Terwijl een ander, die zaken als bedachtzaamheid, bescheidenheid en efficiëntie hoog in het vaandel heeft staan, zich waarschijnlijk eerder aangetrokken zal voelen tot een interieur van ongelakt hout en eenvoudig Scandinavisch design. Elk interieur biedt een bepaald visioen van geluk, waarbij we hopen dat ons decor ons aanreikt wat we in onszelf of in ons leven tekortkomen.

TEST
Doe de test »

Wat zegt je interieur over je persoonlijkheid?

Misschien komt het door De Botton dat de bonte kamer die mijn vriend voor zich ziet me ineens onheilspellend voorkomt. Het lijkt alsof de inrichting van deze kamer een psychologische test is – en onze ideale levens misschien niet compatibel zullen blijken.

We praten nog een paar keer over de inrichting, maar we komen er niet uit. Ten slotte zegt mijn vriend: ‘Er is nog een zolderkamer, hè. Die kunnen we ook isoleren.’

Ieder een eigen kamer. Ieder een kans om ons eigen geluk vorm te geven, aan de hand van ons eigen gemis. Terwijl ik mijn overall weer aantrek, merk ik dat ik opgelucht een liedje neurie.