Je zou verwachten dat je het best een gezichtsuitdrukking kunt hebben als bij B, een emotieloos pokerface. Maar verrassend genoeg is dat niet zo: het is C. Dat ontdekten Erik Schlicht van Harvard University en zijn collega’s. Schlichts team liet beginners een versimpelde pokerversie spelen tegen steeds een andere virtuele tegenstander. Deze zette 5000 fiches in, daarmee suggererend dat hij goede kaarten had. De proefpersonen kregen twee kaarten. Daarna moesten ze beslissen of ze zouden passen – waardoor ze zeker 100 fiches zouden verliezen – of meegaan.

In dat laatste geval konden ze 5000 fiches winnen of verliezen, afhankelijk van de vraag in hoeverre de tegenstander met zijn inzet had gebluft. Voorafgaand aan hun beslissing kregen de spelers nog een afbeelding te zien van het gezicht van hun zogenaamde tegenstander. Die had de ene keer een betrouwbare, de andere keer een onbetrouwbare of neutrale gezichtsuitdrukking.

Wat bleek? Wanneer hun tegenstander een betrouwbaar gezicht trok, deden de proefpersonen er langer over om te beslissen, én pakten die beslissingen voor hen minder goed uit. Wat beide niet gebeurde bij het neutrale en onbetrouwbare gezicht. Kortom, wie met bluf wil scoren, kan maar het best betrouwbaar kijken.

Overigens benadrukt Schlicht op zijn website wel dat zijn resultaten niet te generaliseren zijn naar alle pokerspelletjes; zijn proefpersonen speelden bijvoorbeeld maar één keer tegen iedere tegenstander.

Human wagering behaviour depends on opponents’ faces, Plos ONE, juli 2010