Een slaperig straatje in een buitenwijk van Londen. Negentiende-eeuwse middle class-huizen met joekels van zuilen naast de voordeur en klassieke plafonddecoraties in de hal. Alain de Botton ziet mijn blik naar de kitscherige kroonluchter schieten. ‘Niet mijn keus hoor,’ zegt de 37-jarige schrijver terwijl we de trap beklimmen naar zijn strak ingerichte werkkamer.

Een opmerking die De Botton tekent. Self-monitoring lijkt zijn tweede natuur. Hoe kom ik over? Is dat wie ik zijn wil? Moet ik me anders opstellen? Maar hoe dan? Zijn hele oeuvre ademt het uit, dat tobberige. Op hoog niveau, dat wel; fraai geformuleerd, met een ironische distantie en speels ingevlochten citaten uit de wereldliteratuur en de filosofie.

De lezers smullen ervan. Sinds hij op 23-jarige leeftijd debuteerde met de sprankelende roman Essays in love (in Nederland Proeven van liefde getiteld), geldt hij als de boy wonder van de Engelse literatuur. Inmiddels is hij veertien jaar en acht boeken verder, en is zijn werk in twintig talen vertaald. Na in totaal drie essayistische romans over de voetangels en klemmen van de liefde (die hem de bijnaam ‘Dr. Love’ opleverden), nam hij het pad van de non-fictie en publiceerde onder andere de bestsellers De troost van de filosofie

en Statusangst. Onconventionele zelfhulpboeken waarin hij zijn lezers bijvoorbeeld voorhoudt dat impopulariteit ook maar een kwestie van perspectief is – zie Socrates, die door de oude Grieken werd uitgekotst, terwijl wij hem zien als een van de grootste wijzen in de westerse geschiedenis.

The king of pop philosophy wordt De Botton sindsdien wel genoemd; een van de voor­trekkers van praktische filosofie, die Grote Denkers niet in de bibliotheken wil opsluiten, maar juist presenteert als levenssteun voor op het nachtkastje.

Alain de Botton is dus hip. Niet slecht voor een introverte historicus met een hang naar lamswollen truien en de werken van somberaar Schopenhauer. Maar het succes lijkt hem niet te hebben verlost van zijn neiging tot piekeren. In bijna elk interview spreekt de ster uiteindelijk over zijn levensangst. ­Tegen een journalist van het Belgische blad Humo zei hij vorig jaar: ‘Ik sta op elk moment aan de rand van een depressie.’ Wat niet wegneemt, liet hij ­elders weer weten, dat hij ook graag lacht: ‘Juist vanwege die duisternis. Het nerveuze lachen van de loop­graven.’

De koning van de popfilosofie brengt het vandaag helaas niet verder dan een pipse glimlach. ‘Keelpijn,’ hoest hij in mijn cassette­recorder, en hij vertelt dat hij sinds de geboorte van zijn tweede zoon – september vorig jaar – niet echt aan zijn nachtrust toekomt. Toch is hij, getuige de zacht zoemende laptop op zijn bureau, druk bezig aan zijn negende boek. Dat zal gaan over werk. ‘Het wordt een bundel interviews en ­essays over mensen en hun banen. Wat ze precies doen en waarom. En wat het ze oplevert.’

Net als bij zijn vorige boeken diende ook nu het thema zichzelf aan, vertelt De Botton. ‘Ik schrijf altijd over problemen die mij persoonlijk bezighouden, meestal op het moment dat ze mij het meest deprimeren.’

Wat is er momenteel deprimerend aan uw werk?

‘Misschien is het gewoon midlife anxiety. Een algemeen gevoel dat ik carrièretechnisch gezien niet op het juiste pad zit.’

Vraagt u zich na veertien jaar schrijven serieus af of u wel een schrijver bent?

‘Ja, natuurlijk! Ben ik wel goed in wat ik doe? Wat heeft dit voor zin? Waarom is dit zo moeilijk? Want schrijven ís moeilijk. Het is heel extreem. Soms maakt het je totaal gelukkig, maar het kan ook totaal vernietigend zijn. Er is een anekdote over een jongeman die aan de Franse schrijver André Gide vroeg of hij schrijver zou worden. En Gide antwoordde: “Alleen als je echt moet.” Je wordt schrijver als er geen alternatief is. Maar is dat er wél… Er zijn veel makkelijker manieren om status, inkomen en bevrediging te verwerven.’

Moeten fans nu vrezen dat u besluit een pension in Zuid-Frankrijk te beginnen?

‘If I do, I do. Maar ik hoop geloof ik toch dat ik tot de conclusie kom dat ik het juiste ding doe, en dat ik gewoon verder ga met schrijven.’

Omdat u het wilt, of omdat het ‘moet’?

‘Het helpt me in ieder geval wel. Schrijven is voor mij een soort schoonmaken van de geest, het maakt de boel helder. Als ik een boek af heb, lijken de problemen waarover ik schreef altijd minder deprimerend. Ik hoef er niet meer over te piekeren. En dat heb ik nodig. Ik ben geen evenwichtig mens. Als er iets leuks gebeurt, is het geweldig; gebeurt er iets naars, dan is het verschrikkelijk. De middle range is voor mij onhaalbaar. Daarom ben ik in mijn schrijven zo bezig met orde en rust.’

Uw boeken lijken te suggereren dat u het evenwicht uiteindelijk steeds bereikt. Dat u met steun van kunst en filosofie de wereld wel aankunt.

‘En ik héb die boeken geschreven, dus dat beeld is geen complete illusie. Maar mijn werk is erg gebaseerd op hoe ik zou willen dat de wereld was, niet op hoe de wereld er voor mij uitziet. Vergelijk het met een schilder die steeds kiest voor bloemenweides in de lente. Zo’n man weet best dat de wereld niet uit bloemenweides bestaat, maar hij heeft dat nou eenmaal nodig. Ik schilder ook selectief, ik schilder calm and order, omdat het me troost. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen ander landschap ken. Wanneer ik weer eens narrig ben, zegt mijn vrouw vaak: “Als jouw lezers je nú eens konden zien.” Dan antwoord ik: “Als ik was zoals mijn lezers verwachten dat ik ben, hád ik geen lezers. Dan schreef ik namelijk niet.”’

Zou u dat graag willen zijn, een evenwichtig mens die niet schreef?

‘Yes, exactly. Probably.’

Dat Alain de Botton stopt met schrijven, is moeilijk voorstelbaar. Maar dat hij nog eens naar elders verkast, lijkt niet onwaarschijnlijk. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij zich misplaatst voelt in Engeland, en al helemaal in Londen. Ooit liet hij zich ontvallen dat hij zijn woonplaats het liefst zou platgooien.

Die haat heeft een diepere oorzaak. Toen hij acht was, werd hij alleen naar Groot-Brittannië gestuurd, naar een kostschool. Zijn ouders vestigden zich pas jaren later in Engeland. ‘Een heel traumatische ervaring,’ vertelde hij vorig jaar in Humo, ‘en aan dat trauma zat ook een architecturale kant. Ik kwam in een vroeg-Victoriaanse school terecht, een heel donker gebouw (…). Voor mij werd die school meteen een symbool voor de terreur en vreemdheid die ik met de Engelse cultuur verbond.’

Want al lijkt hij every inch een Britse gentleman, De Botton is eigenlijk Zwitser. Hij werd in 1969 in Zürich geboren. Zijn vader, afkomstig uit de kosmo­politische joodse gemeenschap van de Egyptische havenstad Alexandrië, was er bankier in dienst van het roemruchte Rothschild-imperium. Zijn moeder is Zwitserse. Frans is zijn eerste taal, vertelt De Botton: ‘Het was de taal die mijn ouders onderling gebruikten. Mijn moeder is eigenlijk Duitstalig, maar ze sprak Schweizerdeutsch en mijn vader zag niet in waarom zijn kinderen zo’n boerentaal moesten leren. Daarom stuurden ze ons in Zürich naar de Franse school.’

Inmiddels is Engels zijn hoofdtaal; en de pestkoppen op zijn kostschool hebben ieder restje vreemd accent er wel uitgeramd. Zelfs met zijn beide zoontjes spreekt De Botton geen Frans. Maar dat betekent niet dat hij zich nu Engels voelt. Hij heeft zelfs geen Brits paspoort, en streeft dat ook niet na: ‘Een Zwitserse pas is erg waardevol vandaag de dag. In een gijzelingssituatie wil je dat het liefst. En ook verder zie ik mijn Zwitserse nationaliteit als the ­ultimate get-out. Als de dingen moeilijk worden, ben ik niet verantwoordelijk.’

In hoeverre heeft dat buitenstaander zijn u gemaakt tot de opmerkzame, bespiegelende schrijver die u bent?

‘Het maakt je extra bewust van jezelf. Het houdt je een spiegel voor. Psychologisch gezien word je namelijk juist bewust van wie jij bent door de dingen waarin je van je omgeving verschilt. Als je dol bent op sinaasappels, maar leeft in een maatschappij waar iedereen sinaas­appels eet, denk je niet: yes! Maar in een ander land merk je: I am a man devoted to oranges. Ander voorbeeld: voor joden is Israël het enige land waar een jood níet over zichzelf hoeft te denken als jood. Dus het voordeel van buitenstaander zijn, is dat je je van veel meer bewust bent, zowel van jezelf als van je omgeving. Het nadeel is dat je minder op je gemak bent.’

Voor een chronische buitenstaander is Alain de Botton overigens behoorlijk well-connected. Zo is hij bevriend met Susie Boyt, auteur van een aantal bejubelde romans die het menselijk gedrag uitvoerig onder de loep nemen. Bovendien is Boyt een dochter van de bekende portretschilder Lucian Freud – die Alains vader Gilbert de Botton nog portretteerde – en achterkleindochter van de nog veel bekendere Sigmund Freud. Verder behoort tot zijn kring Darian Leader, oprichter van het centrum voor Freudiaanse analyse in Londen en schrijver van een bestseller met de prachtige titel Why do women write more letters than they post?

Twee Freuds plus een hard-core Freud-aanhanger in de vriendenkring. Niet verbazingwekkend dat De Botton zich tegen het einde van ons gesprek in gloedvolle bewoordingen uitlaat over de psycho­analyse. Of hij denkt dat te veel zelfbespiegeling je egocentrisch kan maken, had ik hem voorzichtig voorgelegd. Typisch protestants, luidt zijn antwoord, die associatie tussen intro­spectie en egoïsme: ‘Dat hebben Nederlanders en Britten met elkaar gemeen, hun nadruk op de blik naar buiten, de gemeenschap. Maar je kunt heel veel over jezelf nadenken en juist daardoor erg aardig zijn voor anderen. Terwijl mensen die níet nadenken over zichzelf heel selfish kunnen zijn in hun handelen. Ik vermoed dat het voor bijna iedereen goed zou zijn om in psychoanalyse te gaan.’

Waarom?

‘De meeste mensen vinden het heel moeilijk om in hun eentje na te denken. Het ís heel moeilijk om alleen na te denken. Het kan erg helpen als iemand anders je helpt om na te denken over het leven. Ik zeg niet dat zelfkennis al onze problemen oplost, maar wel veel ervan. Je begrijpt in ieder geval beter waarom je voelt wat je voelt. Het maakt gedrag preciezer. Ons gedrag is vaak onprecies. We zeggen de verkeerde dingen tegen de verkeerde personen, of de juiste dingen tegen de verkeerde mensen… De meeste ellende in het leven is terug te voeren op gebrekkige zelfkennis. Er zijn twee soorten problemen; het probleem zelf en het probleem dat wordt veroorzaakt doordat we het probleem zelf niet goed begrijpen. Psychoanalyse kan je in ieder geval van dat tweede probleem bevrijden. Het helpt te zien hoe je gevoelens die zijn gebaseerd op mensen uit het verleden, projecteert op de mensen die nu om je heen zijn.’

In Nederland geldt psychoanalyse als enigszins gedateerd.

Een hoogst verbaasde blik: ‘Is literatuur gedateerd? Is scheepsbouw gedateerd? Zo lang als het menselijk brein bestaat, zo lang als de oceanen water bevatten, zo lang zullen we literatuur en scheepsbouw hebben. Hetzelfde geldt voor psychoanalyse. Die heeft een bijdrage aan onze kennis geleverd die nooit meer zal verdwijnen. Ze geeft ons een fundamenteel inzicht in de menselijke natuur.’[/wpgpremiumcontent]