|
|
Inlevingsvermogen - Voelen wat een ander voeltAls we zien hoe een ander met een hamer op zijn vinger slaat, wapperen we instinctief met onze eigen hand. Au! Dat doet pijn! Maar hoe ‘weet’ ons brein dat eigenlijk? En waarom zijn vrouwen meevoelender dan mannen? Alles over de biologische basis van empathie.
Voelen wat een ander voelt
Zalen vol groezelige wezentjes, vastgebonden in groezelige bedjes. Magere lijfjes, expressieloze gezichtjes. Begin 1990 maakten ze hun tv-debuut, de bewoners van de Roemeense kindertehuizen. In het land van Ceausescu waren ze nutteloze objecten geweest. Eten hadden ze nog gekregen, aandacht was te veel gevraagd. Wie ziek werd, kon klappen verwachten. Het waren beelden waarbij je wereldwijd de harten kon horen breken. Geld en goederen stroomden toe, en er waren genoeg westerlingen die wel een kind uit zo’n ‘afvalbak met sterfhuisconstructie’ wilden adopteren. Maar vijftien jaar later is het duidelijk dat het met een groot deel van die geadopteerde Roemeentjes niet goed gaat. Ze hechten zich slecht, zijn druk en ongeconcentreerd, liegen en stelen of hebben last van woedeaanvallen. Een aanzienlijk deel van hen vertoont gedrag dat aan autisme doet denken: ze herhalen steeds dezelfde bewegingen, mijden oogcontact en houden geen rekening met hun omgeving. Hoe zouden deze kinderen vandaag de dag reageren als de media onverhoopt een kinderhel ontdekten die vergelijkbaar was met hun weeshuizen? Niet, is waarschijnlijk het antwoord. Empathie – het vermogen zich in de belevingswereld van een ander te verplaatsen – is namelijk ook een eigenschap die ze nauwelijks ontwikkeld hebben, laat staan dat ze zoiets als sympathie – medeleven – kennen. Instinctieve reactie Het is dan ook niet niks: ons brein blijkt een apart systeem te hebben dat ons in staat stelt intuïtief te ‘voelen’ wat een ander voelt. Wanneer we zien hoe iemand met een hamer op zijn duim slaat, maken onze hersenen niet eerst de cognitieve hink-stap-sprong: ‘ik zie een klap op een nagel’ – ‘ik herinner me dat dat bij mij ooit gemeen zeer deed’ – ‘dat zal hem dus ook pijn doen’. Nee, bij het zien van de misslag van een ander worden in onze eigen hersenen meteen de zenuwcellen actief die ook in actie zouden komen als we onszelf op de vingers mepten. Zodat we niet alleen direct beseffen dat een blijk van medeleven op zijn plaats is, maar de kans ook groot is dat we zelf instinctief reageren door met een van pijn vertrokken gezicht onze hand laten wapperen. Voor sommige wetenschappers blijft het daarbij. Ze zien het spiegelneuronensysteem hoofdzakelijk als een short cut tussen iets wat anderen doen of overkomt en ons eigen handelen. Voor hen bepalen deze ‘resonerende zenuwcellen’ vooral ons talent om van medemensen te leren hoe iets (niet) moet. Het mechanisme zou ons in de eerste plaats in staat stellen adequaat op onze fysieke omgeving te reageren. Anderen, onder wie Joachim Bauer, gaan veel verder. Bauer stelt dat spiegelneuronen de neurologische basis zijn van empathie, sympathie en ons vermogen van iemand te houden. ‘Wie anderen niet intuïtief durft te vertrouwen, hun indrukken niet spontaan in zichzelf kan navoelen, gevoelens niet spiegelen kan, die heeft het zwaar in de liefde,’ schrijft hij in Warum ich fühle, was du fühlst. Maar, stelt hij, deze vermogens moeten wel ontwikkeld worden. Dat gebeurt via ‘inspiegeling’ door contact met andere mensen. Wie als kind niet ervaart dat medemensen – met name de ouders – op zijn gevoelens ingaan, zal op zijn beurt nauwelijks ‘emotionele resonans’ ontwikkelen. Een opvatting die bevestigd lijkt te worden door het voorbeeld van de Roemeense weesjes. Resonerende hersencellen Wat Keysers wél kan zeggen, is dat er aantoonbaar samenhang is tussen enerzijds goed werkende spiegelneuronen en anderzijds een hoge score op de empathieschaal. Dat komt in ieder geval naar voren uit de experimenten waarmee zijn onderzoeksgroep Neurobiology of Empathy momenteel bezig is. Proefpersonen worden daarin onder andere geconfronteerd met een film waarin iemand een blik vol walging vertoont. Bij alle deelnemers slaat daarbij de insulaire cortex aan alsof ze zelf iets weerzinwekkends waarnemen. Maar: de mate waarin verschilt. Hoeveel walging hun eigen hersenactiviteit weerspiegelt, correspondeert met de hoogte van hun score op de empathietest die ze voor deelname hebben ingevuld. Die test is een verkorte versie van de test op pagina 23, met alleen de zes vragen die betrekking hebben op perspective taking (I). ‘Een heel algemeen testje, dat in feite niets te maken heeft met ons experiment,’ vertelt Keysers. ‘De proefpersonen moeten bijvoorbeeld aangeven in hoeverre ze zich tijdens een ruzie proberen te verplaatsen in de ander. Toch blijkt dat wie hier hoog scoort op inlevingsvermogen, ook een sterker reagerend spiegelsysteem heeft.’ Wat ook opvalt, vervolgt hij, is dat de hersenen van vrouwen gemiddeld sterker ‘resoneren’ dan die van mannen. En, dat was al langer bekend, dat vrouwen hoger uitkomen op de empathieschaal. Dat zou erop kunnen duiden dat geslachtshormonen een rol spelen in ons spiegelsysteem. Maar daarmee, zegt Keysers, begeeft hij zich echt buiten zijn terrein. Bij zijn weten is er nog geen onderzoek naar gedaan. Testosteron en autisme Zijn theorie: het testosteronniveau waaraan we in de baarmoeder zijn blootgesteld, bepaalt hoe goed we later in staat zijn ons in een ander te verplaatsen. Onderzoek onder een aantal baby’s van wie de moeder tijdens de zwangerschap een vruchtwaterpunctie had laten doen, bevestigde dat. Hoe hoger het testosteronniveau in het vruchtwater, hoe hoger later de score van het kind in kwestie – vanzelfsprekend meestal een jongetje – op de drang dingen te onderzoeken, te slopen en weer in elkaar te zetten – oftewel: de drang tot systeembouw. De score op taalniveau, sociale vaardigheden en oogcontact daalde daarentegen naarmate het testosteronniveau hoger was. En juist die laatste elementen zijn gekoppeld aan empathie. Wat de neiging oogcontact te zoeken met empathie te maken heeft? Ten eerste biedt de gezichtsuitdrukking rond de ogen veel informatie over iemands gemoedstoestand. Ten tweede is oogcontact dé manier om inlevingsvermogen aan te zwengelen. Wie een ander aankijkt, ontkomt namelijk zelden aan de neiging die ander ook te imiteren. Daar komt geen wilsbesluit bij kijken. Wel, zo suggereert recent onderzoek, het spiegelsysteem. Dat zou hier weer die snelle vertaling maken van andermans naar eigen gedrag. We zien iemand glimlachen en pop!, we glimlachen terug. Facial feedback Stel verklaart deze onderzoeksuitkomsten uit het zogenaamde facial feedback-effect. Volgens deze theorie zenden de gezichtsspieren een seintje naar het emotiecentrum in de hersenen, waar de gezichtsuitdrukking in kwestie vervolgens wordt ‘terugvertaald’ naar de bijbehorende emotie. ‘Je spiegelneuronen zorgen ervoor dat je een glimlach makkelijk overneemt, en facial feedback maakt dat je de bijbehorende emotie gaat voelen,’ vat de onderzoekster samen. Maar dat effect, ontdekte Stel, treedt ook op wanneer je opzettelijk imiteert, dus zonder tussenkomst van spiegelneuronen. Bewust of onbewust, wie andermans mimiek spiegelt, neemt altijd iets van diens gevoelens over. Zodat een niet-empathisch iemand al heel wat invoelender kan worden puur door anderen meer na te doen. Wel ontdekte Stel dat het effect dat imitatie op je eigen emoties heeft, van persoon tot persoon verschilt. Vrouwen reageren er over het algemeen meer op dan mannen. ‘Vrouwen zijn doorgaans expressiever, ze gebruiken hun gezicht meer en daardoor is bij hen de link tussen gezichtsspieren en hersenen sterker,’ vermoedt Stel. ‘Een vrouw die imiteert, herkent andermans gevoelens dus sneller dan een man. Bij hem werkt die verbinding gewoon minder snel, zelfs als hij heftig imiteert.’ Waarmee we weer terug zijn bij de vraag of inlevingsvermogen een in de baarmoeder bepaald gegeven is. ‘Ik vermoed van wel,’ antwoordt Mariëlle Stel. Maar dat een gebrek aan inlevingsvermogen een last voor het leven is, ontkent ze. ‘Je kunt empathie trainen. Uit mijn onderzoek blijkt immers dat ook mensen die bewust imiteren, beter gaan begrijpen hoe die ander zich voelt. En je hoeft echt niet bang te zijn dat je gesprekspartner dat merkt. Ik ben in mijn onderzoeken nooit mensen tegengekomen die doorhadden dat de ander ze opzettelijk nadeed.’ Christian Keysers ziet eveneens aanleiding tot optimisme. ‘Als wij tegen proefpersonen zeggen dat ze een film heel precies moeten bekijken, zie je dat hun hersenen sterker geactiveerd worden,’ zegt hij. ‘Empathie valt dus wel degelijk bij te sturen.’ Overigens ook in tegenovergestelde richting: ‘Mensen van wie het spiegelsysteem heel sterk reageert op beelden, vertonen minder activatie als we ze laten wegkijken. Je kunt je eigen gevoeligheid dus wel enigszins reguleren.’ Inge Diepman, tv-interviewster: 'Als je oogcontact houdt, zeggen mensen meer' Anderen zeggen van mij dat ik dat ben. En dat ik "vraag met de ogen wat de mond niet zegt". Ik kan goed luisteren. Ik bereid mijn interviews heel goed voor, weet wat ik ermee wil, maar daarna laat ik het los. Als je in je hoofd geen ruimte maakt voor wat de geïnterviewde zegt, ga je namelijk makkelijk voorbij aan de antwoorden die je krijgt. Ik kijk daarom tijdens de opnamen zelden op mijn papieren. Dat is trouwens ook omdat je veel mist als je mensen niet blijft aankijken. Als je oogcontact houdt, zeggen ze meer doordat ze je interesse voelen. En soms zie ik dat een geïnterviewde geraakt is door een vraag, terwijl er dan toch een ontwijkend antwoord komt. Dat benoem ik dan. In een van de recente Zwarte schaap-uitzendingen kwam bijvoorbeeld Richard Klinkhamer aan bod, die schrijver die zijn echtgenote heeft omgebracht. Aan het begin van dat programma werd een foto van zijn vrouw getoond. Hij keek weg. Toen ik hem daarna naar Hannie en haar dood vroeg, wilde hij er niet over praten. "Ik zag u uw blik afwenden," zei ik daarop. Toen kwam het toch tot iets van een antwoord. Annette Heffels, psychotherapeute: 'Je moet blijven checken of je goed zit' Ik doe dit werk al zo lang dat ik redelijk kan inschatten wat er in iemand omgaat. Maar je moet het blijven checken door het hardop te verwoorden. Het gevaar dat je je eigen gedachten of ervaringen projecteert op een ander, ligt altijd op de loer. Overigens moet je je ook weer niet té goed inleven. Mensen gaan immers in therapie omdat ze steeds in hetzelfde kringetje draaien en juist op:endattr val andere gedachten moeten komen. Daar help je ze bij door vragen te stellen bij wat zij als de objectieve waarheid zien. "Weet je wel zeker dat dat zo is? En waarom zou dat zo verschrikkelijk zijn?" Wanneer je een therapie start, voeg je je in eerste instantie naar de manier van doen van de cliënt. Dat gaat niet eens helemaal bewust. Met iemand die hoog opgeleid is, praat je anders dan met iemand die weinig opleiding heeft. Dat betekent niet dat je niet jezelf zou zijn; je spreekt andere kanten van jezelf aan, om dicht bij iemand te gaan staan en een werkrelatie aan te gaan.' Spiegelneuronen: 'Het DNA van de psychologie' De premotorische schors is het hersengebied dat betrokken is bij het voorbereiden van complexe bewegingen. Dat de actieaansturende zenuwcellen ook actief werden als de makaak iemand anders een handeling zag verrichten, was een sensatie. Er bleek immers uit dat het bewegingssysteem in het brein op een of andere manier bezig is andermans acties te 'lezen'. Het onderzoek naar deze "resonerende zenuwcellen" in 1996 mirror neurons (speigelneuronen) gedoopt - verplaatste zich al snel naar de menselijke hersenen. FMRI-scans en EEG's toonden aan dat ook ons brein reageert op het zien van andermans handelingen. In 1999 plaatste fysioloog William Hutchison zelfs elektroden direct in het brein van een vrouw die een hersen operatie moest ondergaan. Nadat de onderzoekers hadden vastgesteld welke zenuwcellen oplichtten op de scan als ze haar met een lancet in een vingertopje prikten, lieten ze de vrouw toekijken terwijl de onderzoeker zichzelf in de vinger prikte. En jawel: precies dezelfde cellen werden actief. Hiermee was onomstotelijk bewezen dat mensen ook spiegelneuronen hebben. En doordat het in dit geval ging om zenuwcellen in de gyrus cinguli, het deel van de hersenschors dat een rol speelt bij de totstandkoming van emoties, vermoedden de onderzoekers bovendien dat spiegelneuronen de 'hardware' vormen voor empathie en meegevoel. Het brein reageert immers in aanzet hetzelfde op andermans pijn als op eigen pijn. Giacomo Rizzolatti kwam door vervolgonderzoek eveneens tot verreikende inzichten. Hij ontdekte dat bij mensen ook een ander hersengebiedje geactiveerd wordt wanneer een proefpersoon toekijkt hoe een ander iets doet: het zogenaamde spraakcentrum van Broca, dat een rol speelt bij communicatie. Zou het spiegelsysteem dus verband houden met sociale vaardigheden, en met het 'lezen' van andermans gedachten?' Daarop voortbordurend zijn momenteel wereldwijd wetenschappers bezig met onderzoek naar spiegelneuronen in diverse breingebiedjes. Zo wordt gekeken naar de rol die ze spelen bij taalverwerving en -verwerking, bij het instuderen van danspassen of pianostukken en bij het fenomeen dat mensen vaak onbewust elkaars lichaamstaal nabootsen. Elders wordt druk gezocht naar het verband tussen autisme en spiegelneuronen. Het idee is dat het spiegelmechanisme bij mensen met een autistische stoornis slecht zou werken, en dat dat verklaart waarom zij zich zo slecht in andermans gevoelens kunnen verplaatsen. Ook borderline, narcisme en andere persoonlijkheidsstoornissen zijn inmiddels al aan een slecht functionerend spiegelsysteem gelinkt. Het onderzoek gaat kortom heel veel kanten op. Volgens sommigen zijn wetenschappers dan ook zo'n beetje een 'theorie van alles' op het spoor. In ieder geval aarzelt de Amerikaanse neuroloog Vilayanur Ramachandran niet de big bang van de menselijke ontwikkeling, zo'n vijftigduizend jaar geleden, aan de spiegelneuronen toe te schrijven; anders dan apen wisten mensen het talent tot navoelen, imiteren en vooral spreken dat deze cellen ons geven, volledig uit te buiten. 'Ik voorspel dat spiegelneuronen voor de psychologie de betekenis zullen krijgen die DNA voor de biologie heeft,' zei Ramachandran dan ook in een interview. Erik van Muiswinkel, cabaretier en imitator: 'Het helpt als ik goed gegrimeerd ben' Dat inleven in een ander begint bij mij met de stem. Voor iemand die ik goed kan nadoen, heb ik er ook een steekwoord bij. Bij Willem van Hanegem was dat bijvoorbeeld "flauwekul". Dat is echt de essentie van die man: zo'n schouderophalend "het zal wel". Als je dat niet weet te treffen, mist de imitatie ziel en doel. Het heeft overigens even geduurd voor ik Van Hanegem te pakken had. Maar op een gegeven moment ben ik gaan meepraten met een video en plotseling schoot ik in een groef. De mensen om me heen vielen getroffen stil, want daar zat ineens Van Hanegem. Ik heb overigens wel gemerkt dat mijn stemimitaties beter worden wanneer ik als die ander gegrimeerd ben. In de spiegel zie je jezelf in die persoon veranderen, zo krijg je steun van je ogen en dat helpt mij enorm om me in te leven. Mag het ietsje minder? Te veel empathie kan echter lastig zijn. Niemand wil een chirurg die trillend van emotie het mes hanteert. En wat te denken van een manager die het niet over het hart krijgt om een slecht functionerende medewerker te corrigeren, hoewel de hele afdeling daaronder lijdt? Een gebrek aan inlevingsvermogen kan dus voordelen hebben. In M/V Het verschil somt autismedeskundige Simon Baron-Cohen er een aantal op. Zo verdraagt een minder empathisch persoon langdurige eenzaamheid beter. Bovendien is zo iemand beter in staat harde besluiten te nemen, omdat hij (meestal is het een man) zich minder bezighoudt met de vraag wat anderen daarvan zullen vinden. Te veel inlevingsvermogen kan je carrièrekansen dan ook belemmeren. 'Mensen in hoge functies zijn minder empathisch,' weet Stel. 'Ze hebben meer dominante trekjes. Ze imiteren anderen ook minder, ze worden geïmiteerd. Let maar eens op: als de baas met een pen speelt of achterover gaat zitten, nemen de medewerkers dat over. Andere voordelen die Stel in een gebrekkige empathie ziet: Je krijgt minder snel een naar gevoel als je een ander niet kunt helpen. En je hebt meer tijd voor jezelf en je werk. Tot slot zijn sociale horken van onschatbare waarde voor de wetenschap. Tenminste, volgens Baron-Cohen, die stelt dat een lager inlevingsvermogen per definitie gelijk opgaat met een beter vermogen systemen te doorzien en te ontwerpen. Van zowel Isaac Newton als Albert Einstein, natuurkundigen aan wiede wereld geniale inzichten te danken heeft, wordt wel gezegd dat hun sociale vaardigheden het niveau hadden dat bij een autistische stoornis hoort Test: Hoe empathisch bent u? Inlevingsvermogen bestaat uit verschillende eigenschappen, stelt de Amerikaanse sociaal-psycholoog Mark Davis. Kunt u zich bijvoorbeeld goed verplaatsen in een ander, voelt u sterk mee met andermans ellende en raakt u er snel door van streek? Doe de test!
Even een experimentje: Kijk eens goed naar deze beelden. Observeer vervolgens wat er bij u gebeurt. Beantwoord nu de volgende vraag.
Pek a., december 2005
|
|