Hoogbegaafd: ‘Ik heb mezelf altijd afgeremd om erbij te horen’
Ik heb mezelf leren lezen op mijn vierde en mocht de eerste klas van de lagere school overslaan. Maar kinderen voelen haarfijn aan dat je anders bent en ik werd erg gepest. Ook mijn ouders wisten dat ik behoorlijk pienter was, maar complimenten hierover gaven ze niet. Mijn moeder stamt nog uit de periode dat slimme meisjes niet aan de man kwamen. Over hoogbegaafdheid werd al helemaal niet gesproken, dat bestond niet in onze kringen.
Op mijn elfde ging ik naar de havo. Ik vond de lessen saai, maakte nooit huiswerk en werd nog steeds gepest. Ik was diep ongelukkig in die tijd. Ik dacht dat niemand me aardig vond, ik vond mezelf niet eens aardig. Op school had ik nauwelijks vrienden, ik was met hele andere dingen bezig dan mijn leeftijdgenoten.
Na de havo stuurden mijn ouders me naar de meao en op mijn zeventiende ging ik aan de slag als secretaresse. Ik had een hele reeks baantjes, maar kon nergens aarden. Ik kon me slecht concentreren op het saaie werk waarvoor ik was aangenomen. In plaats daarvan bemoeide ik me met allerlei zaken die niet bij mijn functie hoorden. Dat werd niet altijd op prijs gesteld. Ik was natuurlijk nog hartstikke jong, maar wel heel wijs voor mijn leeftijd. Achteraf denk ik dat anderen zich daar ongemakkelijk bij voelden.
Ik twijfelde veel aan mezelf, snapte niet wat ik verkeerd deed en waarom anderen wel een baan konden houden. Op zoek naar een verklaring, bedacht ik dat mijn inmiddels overleden vader eens had gezegd dat ik een test voor hoogbegaafdheid moest doen. Toen heb ik een test van Mensa – de vereniging voor hoogbegaafden – in huis gehaald. Ik was 23 en woonde samen met mijn vriend Henk. Ik zie ons nog zitten aan de keukentafel. We scoorden boven de norm en Mensa nodigde ons uit om de echte test te komen maken. Voor Henk, die huisschilder is, was de schok nog groter dan voor mij. We bleken allebei hoogbegaafd. Ik scoorde in het 99-ste percentiel en heb een iq van 148.
Het eerste weekend dat we met Mensa-leden doorbrachten, zal ik nooit vergeten. Mensen lachten om mijn grapjes en iedereen was net als ik onverzadigbaar nieuwsgierig. Mijn hersens draaiden eindelijk op volle toeren. Enthousiast vertelde ik mijn moeder dat ik hoogbegaafd was. Over haar reactie – “Word je daar niet vreselijk arrogant van?— – ben ik jarenlang boos geweest. Ik was sowieso een boze, opstandige tiener en twintiger. Die woede kon ik prachtig verwoorden, maar met het gevoel kon ik niets.
Rond mijn 28-ste werd ik alsnog heel verdrietig over het overlijden van mijn vader. Dat begreep ik eerst niet. Ik had zijn dood toch al verwerkt? Ik besefte steeds meer dat ik mijn ratio, het deel van mezelf dat ik had leren vertrouwen, moest loslaten en aan de slag moest met iets onzekers, namelijk mijn gevoel. Verschillende therapieën hebben me hierbij geholpen. Op mijn gevoel afgaan, vond ik lastig. Ik was misschien dik, lelijk, moeilijk en irritant, maar mijn hersens, daar kon ik tenminste op vertrouwen.
Uiteindelijk ben ik in de avonduren de School voor Journalistiek gaan doen en ik heb een opleiding Neuro-Linguïstisch Programmeren gevolgd. Daar leerde ik veel over mezelf en over de communicatie tussen mensen. De relatie met mijn moeder is langzaam verbeterd. Ik weet nu dat ze trots op me is, of in ieder geval opgelucht dat het toch nog goed is gekomen met mij. De opleiding nlp vergrootte ook mijn sociale vaardigheden en ik vond daardoor de moed om als freelance journaliste aan de slag te gaan. Sinds een paar jaar heb ik eindelijk mijn draai gevonden. Ik heb me altijd dommer voorgedaan dan ik was, mezelf van kind af aan afgeremd om erbij te horen. Dat hoeft nu niet meer.
Paulien Bakker, juni 2004