Bevrijd jezelf 496: Het rode weeskind
Er was eens, en er was eens niet, een rups…. Ze woonde in een donker beukenbos. Iedereen in het bos noemde haar het weeskind, want altijd was de rups alleen.
De rups leek eeuwig op zoek naar…, ja op zoek naar wat eigenlijk? Er miste altijd iets,…diep van binnen knaagde er voortdurend een gevoel van ontevredenheid. Ontevreden met zichzelf. De andere dieren in het bos leken allemaal beter en mooier dan haar. Dit maakte dan ook dat de rups zich zo onzichtbaar mogelijk door het bos bewoog, ze wilde graag ergens bijhoren, en nam daarom met een bijna natuurlijk talent, moeiteloos de kleur van de omgeving aan, zo viel ze niet op en was ze de andere dieren niet tot last.
Als het bos ’s nachts in diepe rust was, piekerde de rups hoe het verder moest… ze voelde zich eigenlijk diep ongelukkig en eeuwig alleen. Ze wilde ook graag iets betekenen en zich ergens ‘thuis’ voelen… maar ja, hoe dan? Wie zat er nu op een saaie, groene rups te wachten? Er was niets waar zij nu echt goed in was…er was niets bijzonders aan haar.
Tot op een nacht, het was volle maan en het donkere beukenbos was in diepe rust, ineens een fel licht op de rups scheen. De rups werd er door verblind.
Het was de maan die precies tussen twee beukenbomen door op de rups scheen. De rups durfde niet te kijken, het licht was zo fel en het maakte haar bang.
De maan kwam nog iets dichterbij en zei:
Open je ogen maar
En zie wie ik zie
Ik weet hoe mooi jij bent
Maar jij weet het zelf nog niet
Het komt allemaal goed
Wacht nou maar af, wat de tijd met je doet
Het is nog te vroeg
Alles wat groot is, begon ooit klein
Je hoeft niet meteen een vlinder te zijn
De tijd zal je helpen
Geloof maar gewoon wat ik zeg
Lijken je vleugels voor eeuwig gevangen
Toch op een dag vlieg ook jij weg
Hoog in de lucht,
Zul jij je kleur durven bekennen
Voel je de rust,
Zul je genieten
Adem het in, durf…
En dan vind je de liefde, je innerlijke kracht
Een nieuw begin
Als je geduldig bent, gebeurd het vanzelf
Als het jouw tijd is,
In jouw tempo…
Toen verdween de maan weer achter de beukenbomen en werd het bos weer donker.
De rups was stil van wat haar die nacht overkomen was…toch geloofde ze de maan niet.
De maan had het mis, een vlinder ?! De maan had een te mooi beeld van haar, wat niet klopte. Of misschien wilde de maan gewoon aardig zijn en haar troosten omdat ze iedere nacht zag hoe eenzaam en ongelukkig de rups eigenlijk was…
In de tijd daarna veranderde er weinig in het leven van de rups, ze trok zich steeds meer terug.
En uiteindelijk sleepte ze zich naar een veilig plekje in het bos en zonderde zich daar af. Ze bouwde een cocon om zich heen. Het eeuwige kruipen had haar vreselijk moe gemaakt.
Maar wat de rups niet verwacht had, gebeurde… ze kreeg kracht en warmte in de cocon, maar ze voelde zich ook nog steeds eenzaam, en kon zich niet bewegen.
In de cocon bleef ze klein, maar diep in haar hart wilde ze die vlinder zijn. Ze werkte aan een nieuwe toekomst. De periode in de cocon was een rijpingsproces, waarin het weeskind langzaam haar ware identiteit vond en zichtbaar werd waar haar kwaliteiten en ambities lagen.
Ze was alleen bang voor de enorme verandering, die ze zou ondergaan, en voor wat haar straks te wachten zou staan.
Ze besloot zich over te geven aan de natuur, want als het tijd is, is het tijd. En voor de rups was het duidelijk tijd voor iets anders, een nieuwe stap, er leek geen weg terug.
Ze voerde in haar cocon een zware strijd, ze raakte de controle over haar lichaam en leven kwijt.
Op een nacht scheen de maan, opnieuw tussen de beukenbomen door, ze scheen fel op de cocon, haar tijd was gekomen, een nieuwe fase in haar leven,ze ontpopte zich in het licht van de maan.
Daar zat het weeskind, haar vlindervleugels langzaam drogend aan de buitenlucht.
Wat nu? Hoe kon ze nu gestalte geven aan de nieuwe dingen die ze in zichzelf ontdekt had en de nieuwe vorm die ze aangenomen had?
Ze vroeg de maan om raad: ‘Hoe wordt ik nu wie ik werkelijk ben, en zullen anderen dan nog van me houden?’
De maan zei:
Dag weeskind, jij vlinder die fladdert in het licht van de maan
Je kende vele vormen, voordat je jouw vleugels uit durfde slaan.
Je hebt je losgemaakt van je strakke windsels,
volg nu je hart en vlieg, vlieg zo hoog je kunt….
En weet….het mooiste wat je kunt worden is jezelf.
Dat ben jij vlinder, zoals jij bedoeld bent…
Het was een totaal andere wereld buiten de cocon. Een wereld die erom vroeg dat ze haar nieuwe vleugels ging gebruiken en vloog.
De nacht gaf het weeskind de beschutting die het nog zo nodig had, zo kon ze terwijl het bos nog in diepe rust was, eerst zelf een beetje wennen aan haar nieuwe gedaante. De maan was hierbij haar wegwijzer, hij reizde altijd met haar mee, waar ze ook ging.
Dit hield ze een tijdje vol, iedere nacht als de andere dieren sliepen ontdekte de vlinder voorzichtig haar nieuwe mogelijkheden. Steeds meer ging ze genieten van de dingen die ze deed en die ze zag. Eerst vloog ze in de vroege uurtjes van de nacht, dit was veilig voor haar. Zo was ze onzichtbaar voor de anderen.
Maar de vlinder werd steeds nieuwsgieriger naar de wereld van overdag, dus vloog ze iedere nacht een uurtje langer door, tot op een keer dat ze door vloog tot aan het opkomen van de zon…de wereld van overdag was langzaam wakker aan het worden. De vogels floten uit volle borst en de haan kraaide…
Het weeskind vond het heel spannend, zou iemand haar herkennen? Wat zouden ze van haar denken? Maar haar nieuwsgierigheid overwon het van haar angst en ze vloog voorzichtig door, totdat ze boven een veld met honderden klaprozen en prachtige diepblauwe korenbloemen vloog. Zoiets moois had ze alleen in haar dromen gezien, de aantrekkingskracht van het bloemenveld was zo groot dat ze alles om haar heen vergat.
Uiteindelijk streek ze neer op één van de diepblauwe korenbloemen en zat daar een tijdje.
Opeens hoorde ze iets,… ze schrok en wilde snel wegvliegen. Maar het was te laat, naast haar was een andere vlinder neergestreken. De vleugels van de vlinder waren een pracht om naar te kijken. ‘Wat ben jij mooi’, zei het weeskind. ‘Niet mooier dan jij’, zei de vlinder. ‘Iedereen is mooi op zijn eigen manier. Je ziet het alleen zelf nog niet’.
‘Maar de kunst is te ontdekken wat jou eigen blauwdruk is.
Om je zelf af te pellen.
En te leren onderscheiden.
Wat je jezelf hebt wijsgemaakt.
Wat anderen je hebben aangepraat.
En wat echt bij je past…
Pas dan zal je erachter komen
Wat betekenisvol voor jou is
En waar jij blij van wordt
Onafhankelijk van het beeld dat er van bestaat
Of anderen er van denken…’
Het weeskind voelde zich veilig bij de vlinder, voor het eerst had ze het gevoel onvoorwaardelijk te mogen zijn.
De tijd daarna ontdekten ze samen de wereld van overdag. Samen dansten ze in de zon en schuilden ze voor de regen. Er ontstond een hechte vriendschap…
Dit was het moment dat haar vleugels, die tot dan toe, een bruine schutkleur hadden gehad, langzaam steeds verder kleurden tot een prachtige rood-zwarte kleur.
Haar kleurrijke vleugels spreidde zich uit in het licht, ze genoot van haar vormen, een prachtig gezicht. Ze vloog over zeeën, langs bergen en dalen. Ze rustte op bloemen en durfde nectar te halen. Ze hield van de sterren en de maan en vloog graag bij nacht, de stilte had haar tot eindeloze dromen gebracht. De wereld lag voor haar open, ze voelde zich vrij….
Vlinder (38)
Waarvan hebt ú zich bevrijd?, Dat vroegen we aan lezers van Psychologie Magazine. Hier leest u waarvan ze zich in hun leven met succes hebben losgemaakt.